< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekken en terugvorderen over maanden waarin appellant transacties met auto's heeft verricht, waarvan hij geen melding heeft gedaan. Eigen gebruik niet aannemelijk gemaakt. Dat het oude auto's betreft is niet van belang. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat transacties gemeld hadden moeten worden. Aanvullend recht niet aannemelijk gemaakt. Bewijsnood is voor risico van appellant.

Uitspraak



19 2332 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 15 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2019, 18/4932 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.M. Noorlander, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Noorlander. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Bouter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 15 januari 2009 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van de afhandeling van een klacht van appellant heeft een toezichthouder van de unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.

1.2.1.

In dat kader heeft de toezichthouder onder meer dossieronderzoek gedaan en via Suwinet gegevens bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) opgevraagd. Uit de gegevens van de RDW is gebleken dat in de periode van februari 2010 tot en met april 2017 34 kentekens van auto’s op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan.

1.2.2.

Op 15 september 2017 heeft de toezichthouder een gesprek met appellanten gevoerd. Bij brief van 13 oktober 2017 heeft de toezichthouder appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 23 oktober 2017, met het verzoek om de aan- en verkoopbewijzen, kentekenbewijzen, verzekeringsbewijzen en beschikkingen van de wegenbelasting van alle auto’s die op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan mee te nemen. Tijdens het gesprek op 23 oktober 2017 heeft appellant onder meer het volgende verklaard. Van geen enkele auto heeft hij nog bewijsstukken. Sommige auto’s heeft hij minimaal een paar uur op zijn naam gehad en daarna weer op naam van de auto-eigenaar laten registreren, omdat de auto’s niet goed waren. Het waren auto’s van € 300,- à € 400,- tot € 1.500,-. Enkele auto’s zijn naar de sloop gegaan. Sommige auto’s heeft hij laten registreren op naam van anderen, bijvoorbeeld op naam van zijn vader en van zijn broer, omdat deurwaarders beslag kunnen leggen op auto’s die op zijn naam staan. Hij heeft alle auto’s contant gekocht. Er zijn vier auto’s op de lijst zijn geëxporteerd, omdat deze auto’s schade hadden en niemand ze wilde kopen. Appellant heeft de bedragen contant van de kopers ontvangen en het geld gebruikt om schulden te betalen. Het waren geen grote bedragen die hij voor de auto’s kreeg. Van sommige auto’s haalde hij onderdelen af en zette die op andere auto’s.

1.2.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in, voor zover hier van belang, een rapportage van 25 oktober 2017.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 februari 2018 (besluit 1) de bijstand van appellanten te herzien (lees: de bijstand in te trekken) over 26 maanden in de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 december 2016 en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 49.169,95. Bij afzonderlijk besluit van 12 februari 2018 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken over de maand april 2017 en de gemaakte kosten van bijstand over die maand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 1.403,98. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant transacties met voertuigen heeft verricht en dat appellanten van deze transacties geen melding hebben gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 14 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten 1 en 2 deels gegrond verklaard. Het college heeft de hoogte van de in besluit 1 vermelde terugvordering gewijzigd vastgesteld op een bedrag van € 39.134,97 en de besluiten 1 en 2 voor het overige gehandhaafd. Het college heeft aan dit besluit het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft in 27 maanden transacties met auto’s verricht (transactiemaanden). Door hiervan geen melding te maken bij het college hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Doordat appellanten geen deugdelijke en verifieerbare administratie hebben bijgehouden, kan over de transactiemaanden het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de kostenvergoeding in bezwaar betreft.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden, voor zover ter zitting gehandhaafd, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat in de periode van februari 2010 tot en met april 2017 een groot aantal kentekens van motorvoertuigen op naam van appellant geregistreerd heeft gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest en zijn geëindigd in de transactiemaanden.

4.2.

Uit kentekenregistraties zoals hier aan de orde volgt de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse voertuigen, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437). De datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling – met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van appellant is geëindigd – wordt aangemerkt als de datum waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden. Dit is eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306).

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd, dat de auto’s die op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan bestemd waren voor eigen gebruik. Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op het aantal voertuigen en de betrekkelijk korte duur van de tenaamstellingen van soms enkele dagen, is niet aannemelijk dat de auto’s uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. Dat het hier gaat om een periode van zeven jaar, zoals appellanten naar voren hebben gebracht, maakt dat niet anders. Appellanten hebben de door appellant op 23 oktober 2017 gegeven verklaringen voor de kortdurende tenaamstellingen, zoals weergegeven onder 1.2.2, niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Het door appellanten zelf opgemaakte en in bezwaar overgelegde overzicht is niet als zodanig aan te merken. Appellanten hebben verklaringen van de vader en van de broer van appellant ingebracht, waarin is vermeld dat zij een aantal auto’s op hun naam hebben gezet, omdat appellant schulden had en deurwaarders beslag konden leggen op auto’s die op naam van appellant stonden. Deze verklaringen zijn niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens en hebben bovendien betrekking op een beperkt aantal auto’s. Zij zijn daarom niet toereikend als onderbouwing van de verklaringen van appellant.

4.4.

Appellanten hebben tevens aangevoerd dat geen sprake is van op geld waardeerbare activiteiten, omdat het oude auto’s betrof. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het feit dat het gaat om oude auto’s betekent niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand hebben of kunnen hebben. Dit volgt uit vaste rechtspraak (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9786).

4.5.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat het college onvoldoende voorlichting heeft gegeven over de reikwijdte van de inlichtingenverplichting. Appellanten wisten niet en konden ook redelijkerwijs niet vermoeden, dat de verkoop van auto’s zou worden aangemerkt als autohandel. Als gevolg daarvan is de rechtspositie van appellanten ondermijnd, omdat appellanten de mogelijkheid is onthouden om de inlichtingenverplichting na te komen en omdat appellant niet kon vermoeden dat hij van de aan- en verkoop van auto’s een administratie had moeten bijhouden. Daardoor zijn appellanten in een onmogelijke (bewijs)positie gebracht, nu zij moeten aantonen dat zij met de aan- en verkoop niets hebben verdiend en ook niets konden verdienen. Gelet hierop behoort op grond van het rechtszekerheidsbeginsel en/of artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de bewijslast te wijzigen, in die zin dat het college zal moeten aantonen dat appellanten inkomsten uit de verkoop van auto’s heeft gegenereerd.

4.6.

Deze beroepsgronden slagen niet.

4.6.1.

De wettelijke inlichtingenverplichting houdt in dat de betrokkene melding moet maken van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor appellanten had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de transacties van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Appellanten hadden daarom van deze transacties melding moeten maken bij het college. Gelet hierop kunnen appellanten zich niet beroepen op een gebrek aan voorlichting over de reikwijdte van de inlichtingenverplichting. Door bij het college geen melding te maken van de autotransacties in de transactiemaanden, hebben appellanten in die maanden de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Van enig beletsel om te voldoen aan de inlichtingenverplichting is niet gebleken.

4.6.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is aan appellanten om aannemelijk te maken dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zouden hebben gehad.

4.6.3.

Niet valt in te zien dat op grond van het rechtszekerheidsbeginsel en/of artikel 6 van het EVRM in dit geval van een andere bewijslastverdeling moet worden gegaan, zoals appellanten voorstaan. De bewijsnood waarop appellanten zich beroepen, hebben appellanten namelijk over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellanten – in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting – hebben nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten over de transacties met auto’s. Daarmee hebben zij aan het college de mogelijkheid onthouden om direct te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre de transacties met auto’s van belang waren voor het recht op bijstand.

4.7.

Appellanten zijn niet geslaagd in de onder 4.6.2 bedoelde bewijslast. Zij hebben geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat de aan- en verkoopwaarde van de desbetreffende auto’s is geweest. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellanten over de transactiemaanden recht hadden op (aanvullende) bijstand.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en F. Hoogendijk en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2020.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) R.I.S. van Haaren


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature