< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering algemene en bijzondere bijstand en inkomenstoeslag. Onvoldoende grondslag voor gezamenlijke huishouding, maar voldoende grondslag voor niet wonen op het opgegeven adres.

Uitspraak



19/767 PW en 19/769 PW

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 4 januari 2019, 17/2500 (aangevallen uitspraak 1) en 17/2501 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante 1] (appellante 1) en [Appellante 2] (appellante 2), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante 1 heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 (geregistreerd onder nummer 19/769 PW) en namens appellante 2 tegen aangevallen uitspraak 2 (geregistreerd onder nummer 19/767 PW).

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 7 juli 2020. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L.C. Visser en M. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante 1 staat sinds 1 februari 2009 in de gemeentelijke basisadministratie, thans basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op adres 1 in [woonplaats]. Zij heeft vanaf die datum tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd op 22 juni 2016 van het college algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Daarnaast heeft zij in de periode van juli 2011 tot en met april 2017 bijzondere bijstand ontvangen en in de periode van september 2009 tot en met oktober 2016 achtereenvolgens langdurigheidstoeslag en individuele inkomenstoeslag waarbij het college ervan is uitgegaan dat appellante 1 een alleenstaande was.

1.2.

Appellante 2 stond van 1 maart 1996 tot 1 april 2013 in de BRP ingeschreven op adres 2 te [woonplaats] en daarna op adres 3 te [woonplaats]. Zij heeft in januari 2017 individuele inkomenstoeslag op grond van de PW ontvangen. Daarbij is het college ervan uitgegaan dat appellante 2 een alleenstaande was.

1.3.

Naar aanleiding van een op 31 maart 2017 via de Sociale verzekeringsbank (Svb) ontvangen melding dat appellante 1 al jaren samenwoont met appellante 2 heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de door het college aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, gebruik gemaakt van door de Svb verzamelde gegevens over het waterverbruik op de adressen 1 en 3, buurtbewoners in de omgeving van de adressen 1, 2 en 3 en appellanten gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 april 2017.

1.4.

Bij besluit van 9 mei 2017 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 oktober 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de aan appellante 1 verleende algemene bijstand over de periode van 1 februari 2009 tot en met 21 juni 2016, de bijzondere bijstand van juli 2011 tot en met april 2017 en de langdurigheidstoeslag en individuele inkomenstoeslag van september 2009 tot en met oktober 2016 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand van appellante 1 teruggevorderd tot een bedrag van € 109.557,57. Daarnaast heeft het college de kosten van de aan appellante 2 verleende individuele inkomenstoeslag mede van appellante 1 teruggevorderd tot een bedrag van € 345,-. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en daarvan geen mededeling hebben gedaan bij het college.

1.5.

Bij besluit van 9 mei 2017 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 oktober 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college de aan appellante 2 in januari 2017 verleende inkomenstoeslag ingetrokken en de kosten daarvan tot een bedrag € 345,- van haar teruggevorderd. Daarnaast heeft het college de kosten van de aan appellante 1 verleende algemene bijstand, bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en individuele inkomenstoeslag mede van appellante 2 teruggevorderd tot een bedrag van € 109.557,57. Ook aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en daarvan geen mededeling hebben gedaan bij het college.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante 1 tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante 2 tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard.

3. Appellante 1 heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd en appellante 2 op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 2.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ter zitting besproken loopt de te beoordelen periode van 1 februari 2009 tot en met 30 april 2017.

4.2.

Intrekking van bijstand, langdurigheidstoeslag en individuele inkomenstoeslag alsmede terugvordering en medeterugvordering van kosten van die uitkeringen zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking, terugvordering en medeterugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent in dit geval dat het college onder meer aannemelijk moet maken dat appellanten gedurende de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand en van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Behalve de aanwezigheid van de betrokkene in de betreffende woning, zijn ook feiten en omstandigheden van belang die licht werpen op de leefwijze van de betrokkene, zoals de plaats waar hij zijn post ontvangt en behandelt, waar hij zijn administratie bewaart, waar zijn kleding en verzorgingsproducten en andere persoonlijke spullen zich bevinden en waar hij zijn vrienden en familie ontvangt. Vergelijk de uitspraak van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3467.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante 2 in de te beoordelen periode tot 1 april 2013 haar hoofdverblijf had op adres 2 en daarna op adres 3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het waterverbruik op adres 1 en de verklaringen van buurtbewoners in de omgeving van adres 1, bezien in samenhang met de verklaringen van appellanten en de verklaringen van de buurtbewoners in de omgeving van de adressen 2 en 3 alsmede het waterverbruik op dat laatste adres moet worden aangenomen dat ook appellante 1 in die periode op de adressen 2 en 3 haar hoofdverblijf heeft gehad.

4.6.

Appellanten hebben aangevoerd dat het standpunt van het college dat appellante 1 gedurende de te beoordelen periode haar hoofdverblijf heeft gehad op de adressen 2 respectievelijk 3 niet op een toereikende feitelijke grondslag berust. Deze beroepsgrond slaagt op grond van de volgende overwegingen.

4.6.1.

De verklaringen van de buurtbewoners in de omgeving van adres 1 maken geen melding van concrete feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of appellante 1 haar hoofdverblijf had op de adressen 2 respectievelijk 3. Het waterverbruik op adres 1 is voor de beantwoording van die vraag niet van belang. Dit waterverbruik zegt immers niets over het hoofdverblijf van appellante 1 op adressen 2 respectievelijk 3.

4.6.2.

Appellante 1 heeft op 28 maart 2017 tegenover de sociale recherche verklaard dat zij vanaf 2009 twee à drie dagen per week bij appellante 2 verblijft en dat zij beschikt over de sleutel van de woning op adres 3. Appellante 2 heeft op 28 maart 2017 tegenover de sociale recherche verklaard dat appellante 1 soms één, soms twee keer per week in haar woning overnacht, dat er geen spullen van appellante 1 in haar woning liggen en dat appellante 1 de sleutel van de woning op adres 3 heeft gekregen toen ze naar dat adres ging verhuizen. Uit deze verklaringen kan niet worden afgeleid dat appellante 1 gedurende de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op de adressen 2 respectievelijk 3.

4.6.3.

Anders dan het college heeft betoogd bieden de verklaringen van de bewoners in de omgeving van de adressen 2 en 3 geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante 1 haar hoofdverblijf op die adressen heeft gehad. In de verklaring die W en X, buurtbewoners in de omgeving van adres 2, op 10 april 2017 hebben afgelegd komt naar voren dat zij in de periode dat appellante 2 op adres 2 woonde haar naaste buren waren. Zij verklaarden dat appellante 1 had verteld dat zij een huisje had, omdat ze niet zeker wist of de relatie wel goed zou gaan. Later dachten ze dat appellante 1 de huur had opgezegd omdat zij altijd bij appellante 2 was. W en X hebben verder verklaard niet veel contact met appellanten te hebben gehad, dat zij appellanten dagelijks zagen en dat zij ervan overtuigd zijn dat appellanten samen op adres 2 hebben gewoond. In hun verklaring komt niet naar voren of die ziet op de gehele te beoordelen periode tot 1 april 2013. Bovendien is de verklaring weinig concreet en specifiek en blijkt daaruit onvoldoende of de verklaring over het wonen van appellante 1 op adres 2 berust op feitelijke waarnemingen of slechts een indruk van W en X betreft. Y en Z, buurtbewoners in de omgeving van adres 3, zijn op 28 maart 2017 gehoord. Y heeft verklaard dat hij al 35 jaar op zijn adres woont, dat op adres 3 vanaf ongeveer 2013 twee vrouwen wonen van wie hij de namen niet kent en dat hij ze vaak ziet omdat ze bij mooi weer met de scooter via de achterzijde de woning verlaten. Deze verklaring is vrij vaag. Uit de verklaring blijkt niet of Y appellante 1 heeft waargenomen. Verder bevat de verklaring nauwelijks concrete feiten en omstandigheden die de basis vormen voor de conclusie van Y dat op adres 3 twee vrouwen wonen. Z heeft verklaard dat appellanten vanaf ongeveer 2013 /2014 op adres 3 wonen en dat appellanten samen zijn vanaf het moment dat appellante 2 op adres 3 woont. Verder heeft Z verklaard dat zij appellante 1 dagelijks ziet, maar dat zij niet weet of appellante 1 elke nacht op adres 3 overnacht. Verder heeft zij verklaard dat appellante 1 haar heeft verteld dat zij op een ander adres woonde, maar dat zij elke dag op adres 3 was om appellante 2 te helpen. Ook heeft Z verklaard dat appellante 1 alle werk doet en meestal de boodschappen en dat appellanten de kleinzoon, die vaak bij hen is, overal mee naartoe nemen. Ook heeft Z verklaard welke voertuigen appellanten hebben gehad en wie die voertuigen bestuurde. Ook deze verklaring heeft niet de betekenis die het college daaraan hecht. Wat er ook zij van de frequentie van de aanwezigheid van appellante 1 op adres 3, volgens Z, uit haar verklaring is niet af te leiden of en zo ja, in welke frequentie, appellante 1 de nacht doorbracht op dit adres. Verder verklaart Z ook dat appellante 1 vertelde op een ander adres te wonen. Daarbij komt dat deze verklaring onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het standpunt van het college dat appellante 1 ook het zwaartepunt van haar persoonlijk leven, zoals bedoeld in 4.4, op adres 3 had.

4.6.4.

Ook het waterverbruik op adres 3 over de periode van 1 april 2013 tot en met 3 september 2016 biedt onvoldoende steun voor de conclusie van het college dat appellante 1 haar hoofdverblijf op dat adres had. Zoals het college terecht heeft vastgesteld, was het waterverbruik op adres 3 in die periode meer dan gebruikelijk voor een eenpersoonshuishouden. Mede gelet op de daarvoor door appellante 2 gegeven verklaring leidt dit gegeven er niet toe, dat appellante 1 vanaf 1 april 2013 haar hoofdverblijf had op adres 3.

4.7.

Het voorgaande betekent dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten gedurende de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarom zijn de bestreden besluiten 1 en 2 in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijke gemotiveerd.

4.8.

Ter zitting heeft het college desgevraagd te kennen gegeven dat het, als de bestreden besluiten niet op een deugdelijke motivering blijken te berusten, geen nader onderzoek naar een gezamenlijke huishouding meer zal verrichten en de medeterugvordering van appellante 2 van de kosten van de aan appellante 1 verleende bijstand, de intrekking, terugvordering en medeterugvordering van de aan appellante 2 toegekende individuele inkomenstoeslag niet langer handhaaft. Over de intrekking en terugvordering van de aan appellante 1 verleende algemene en bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en individuele inkomenstoeslag heeft het college te kennen gegeven dat aan het besluit daarover een andere motivering ten grondslag kan worden gelegd.

4.9.

De rechtbank heeft wat onder 4.7 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraken komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Gelet op 4.8 zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen gegrond verklaren, bestreden besluit 2 in zijn geheel vernietigen en bestreden besluit 1 voor zover dat ziet op de medeterugvordering van de kosten van de aan appellante 2 verleende individuele inkomenstoeslag. Aanleiding bestaat tevens om besluit 2 volledig te herroepen en besluit 1 voor zover dat ziet op de medeterugvordering van de kosten van de aan appellante 2 verleende individuele inkomenstoeslag.

4.10.

De Raad ziet gelet op 4.8 aanleiding om het onder 4.7 vastgestelde motiveringsgebrek van bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de intrekking van de aan appellante 1 verleende algemene en bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en individuele inkomenstoeslag alsmede de terugvordering van appellante 1 van de kosten van die bijstand, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen. Daartoe overweegt de Raad als volgt.

4.10.1.

Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van de aan appellante 1 verleende algemene en bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en individuele inkomenstoeslag alsmede de terugvordering van de kosten van bijstand van appellante 1 op een andere grondslag in stand kunnen blijven. Die grondslag is dat appellante 1 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat zij niet haar hoofdverblijf heeft op adres 1 en dat, omdat niet duidelijk is waar zij dan wel woont, niet kan worden vastgesteld of zij recht heeft op de verleende bijstand. Dat appellante 1 niet haar hoofdverblijf heeft op adres 1, baseert het college op het extreem lage waterverbruik op dat adres in de periode van 9 januari 2009 tot en met 19 april 2016 en op de verklaringen die buurtbewoners in de omgeving van adres 1 hebben afgelegd. Appellante 1 heeft daartegen aangevoerd dat zij gedurende de te beoordelen periode wel op adres 1 heeft gewoond.

4.10.2.

In zijn uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986, heeft de Raad zijn eerdere rechtspraak over extreem laag waterverbruik verduidelijkt. Bij een verbruik van maximaal 7 m3 water per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – is sprake van een extreem laag waterverbruik. Een extreem laag verbruik van water rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene(n) niet zijn (hun) hoofdverblijf heeft/hebben op het betreffende adres. Het is in deze situatie aan betrokkene(n) het tegendeel aannemelijk te maken.

4.10.3.

Uit de gegevens van Vitens over het waterverbruik op adres 1 blijkt dat in de te beoordelen periode tot 19 april 2016 sprake was van een waterverbruik op dat adres van in totaal 23 m3 en een verbruik van 1 tot 5 m3 per jaar. Appellante 1 heeft betwist dat zij de betreffende periode op adres 1 slechts 23 m3 water heeft verbruikt. Zij stelt dat de beginstand van de meter niet kan kloppen. Of de meter was defect of de stand is niet juist opgenomen. De Raad volgt appellante 1 hierin niet. Zij heeft haar stellingen niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens en daardoor aannemelijk gemaakt.

4.10.4.

Het waterverbruik in de te beoordelen periode tot 19 april 2016 is als extreem laag aan te merken. Appellante 1 is er niet in geslaagd voor deze periode aannemelijk te maken dat zij desondanks haar hoofdverblijf in de woning op adres 1 heeft gehad. De enkele niet onderbouwde stelling van appellante 1 dat zij die periode niet veel heeft gedoucht omdat zij met een overgewicht kampte is daarvoor onvoldoende. Ook de door appellante 1 in beroep overgelegde verklaringen hebben niet de betekenis die appellante 1 daaraan hecht. Het gaat in de eerste plaats om drie ongedateerde, identieke verklaringen van personen die zeggen in de buurt van adres 1 te wonen. Deze personen verklaren dat ze, sinds ze in de buurt van adres 1 wonen, geregeld contact hebben gehad met appellante 1, bijvoorbeeld met haar koffie hebben gedronken, in de tuin een klein gesprekje hebben gevoerd of even naar haar hebben gezwaaid. Uit deze verklaringen kan niet worden afgeleid op welke periode zij betrekking hebben. Verder heeft appellante in beroep nog drie andere, ongedateerde verklaringen overgelegd van personen die zeggen dat ze geregeld bij appellante 1 op bezoek komen. Ook uit die verklaringen blijkt niet op welke periode zij betrekking hebben. Bovendien komt daarin niet naar voren waar die bezoeken plaatsvonden.

4.10.5.

Voor wat betreft de te beoordelen periode vanaf 19 april 2016 heeft het college met de bevindingen van het buurtonderzoek in de omgeving van adres 1 aannemelijk gemaakt dat appellante 1 ook toen haar hoofdverblijf niet had op adres 1. Vier buurtbewoners in de omgeving van adres 1 (A tot en met D) en de zoon van een van die buurtbewoners hebben op 17 februari 2017 onderscheidenlijk 29 maart 2017 tegenover de sociale recherche verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn voldoende concreet, berusten op eigen waarneming en zijn eenduidig. Uit die verklaringen komt het beeld naar voren dat appellante 1 in het algemeen éénmaal per week met de scooter bij haar woning langskomt. Zo heeft A verklaard dat op adres 1 niemand woont. Ze ziet wel een vrouw die ongeveer éénmaal per week komt op de scooter, soms in een scootmobiel, soms in een auto. Op een dinsdag om de veertien dagen krijgt ze thuishulp. A laat dagelijks meerdere keren haar hond uit en loopt vier maal per dag langs adres 1, maar ze ziet er verder nooit iemand. B, die naast adres 1 woont, heeft verklaard dat ze niet weet hoe haar buurvrouw heet. Ze ziet haar ’s morgens wel eens aankomen op de scooter, om na korte tijd weer weg te gaan. Ook als de schoonmaakster komt, komt de buurvrouw even langs. B zegt verder dat de huizen heel gehorig zijn en daarom te kunnen horen als de buurvrouw er is en dat de buurvrouw er heel af en toe is. Ook C heeft verklaard dat de bewoonster van adres 1, die zij niet van naam kent, éénmaal per week met de scooter bij haar woning komt en dat zij haar verder niet ziet of hoort. De zoon van C heeft verklaard dat hij dagelijks bij C komt, dat hij op adres 1 nooit iemand ziet en dat er eenmaal per week een scooter staat. Ook als hij ’s zomers met C buiten zit, ziet hij nooit iemand bij de woning op adres 1. D die direct naast adres 1 woont, heeft verklaard dat appellante 1 zich aan hem heeft voorgesteld toen hij er oktober 2015 kwam wonen. Het was volgens hem wel toevallig dat ze toen thuis was, omdat ze eigenlijk nooit thuis is. Alleen op maandag of dinsdag komt ze met de scooter aangereden en gaat dan naar binnen. Hij kan dan horen dat ze een stofzuiger pakt. Hij hoort haar dan ook praten. D weet zeker dat ze op andere dagen niet aanwezig is omdat hij dan geen scooter ziet en verder niets hoort. Volgens D zijn de woningen gehorig en je hoort zo goed als alles, zelfs dat er gepraat wordt.

4.10.6.

Wat appellante 1 heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel over het hoofdverblijf van appellante 1 op adres 1 vanaf 19 april 2016. De stelling van appellante 1 dat zij wel op adres 1 woonde en daar haar tijd vaak in stilte doorbracht, is gelet op de onder 4.10.5 weergegeven verklaringen van de buurtbewoners in de omgeving van adres 1 ongeloofwaardig. Voor wat betreft de door appellante 1 in beroep overgelegde verklaringen verwijst de Raad naar wat is overwogen onder 4.10.4. Ook de gegevens van Vitens over het hoge waterverbruik in de periode na 19 april 2016 leidt niet tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van het college dat appellante niet op adres 1 haar hoofdverblijf had, omdat deze gegevens slechts op een schatting zijn gebaseerd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. In aanmerking genomen dat het hier om samenhangende zaken gaat, worden deze kosten begroot op € 1.050,- in bezwaar, € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 84,- voor reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Zaak 19/769

vernietigt aangevallen uitspraak 1;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 oktober 2017 (bestreden besluit 1) voor zover dat ziet op de medeterugvordering van de kosten van de aan appellante 2 verleende individuele inkomenstoeslag;

herroept het besluit van 9 mei 2017 (besluit 1) voor zover dat ziet op de medeterugvordering van appellante 1 van de aan appellante 2 verleende individuele inkomenstoeslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaatst treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

bepaalt dat het college aan appellante 1 het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Zaak 19/767

vernietigt aangevallen uitspraak 2;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 oktober 2017 (bestreden besluit 2);

herroept het besluit van 9 mei 2017 (besluit 2) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college aan appellante 2 het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Beide zaken

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.234,-.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.J.A. Kooijman en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2020.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) J. Siskina

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature