< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Het Uwv heeft terecht de WW-uitkering van betrokkene ingetrokken vanwege de omstandigheid dat betrokkene buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie, terwijl betrokkene dit niet aan het Uwv heeft gemeld. Het feit dat betrokkene op de vertreklijst staat voor terugkeer naar Polen vormt een indicatie dat betrokkene ook daadwerkelijk naar Polen is vertrokken. In samenhang bezien met de onduidelijkheid over de daadwerkelijke verblijfsplaats van betrokkene na afloop van het dienstverband met het uitzendbureau heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat betrokkene naar Polen is vertrokken. Betrokkene is er niet in geslaagd om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Dit betekent dat de WW-uitkering onverschuldigd is betaald en het Uwv gehouden is de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene terug te vorderen.

Uitspraak



18 5524 WW

Datum uitspraak: 5 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 september 2018, 18/2151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Polen (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Kocabas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 18/5853, 19/1990, 19/1807, 18/5327 en 19/1500, plaatsgevonden op 13 november 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kocabas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen en mr. dr. J.H. Ermers. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 18 augustus 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij laatstelijk werkzaam is geweest via [naam uitzendbureau] ([naam uitzendbureau]). Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het Uwv appellant een WW-uitkering toegekend per 18 augustus 2014. De WW-uitkering is per 6 januari 2015 beëindigd.

1.2.

Nadat appellant daar schriftelijk om had verzocht, heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2014 aan appellant toestemming verleend om met behoud van zijn WW-uitkering in Polen naar werk te zoeken in de periode van 6 oktober 2014 tot en met 5 januari 2015.

1.3.

Op 5 oktober 2015 heeft appellant opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij laatstelijk werkzaam is geweest via [naam uitzendbureau]. Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 7 oktober 2015 een WW-uitkering toegekend en is de eerdere WW-uitkering herleefd per diezelfde datum. De WW-uitkering is per 1 februari 2016 beëindigd omdat het recht op uitkering door gebrek aan inkomstenopgaven niet vastgesteld kon worden.

1.4.

Nadat appellant daar schriftelijk om had verzocht, heeft het Uwv bij besluit van 19 november 2015 aan appellant toestemming verleend om met behoud van uitkering in Polen werk te zoeken in de periode 7 november 2015 tot en met 6 februari 2016.

1.5.

Naar aanleiding van een aantal meldingen is het vermoeden ontstaan dat Poolse

(ex-)werknemers van [naam uitzendbureau] hebben gefraudeerd bij het aanvragen van hun WW-uitkeringen in die zin dat zij direct na het beëindigen van hun dienstverband naar Polen zijn teruggekeerd. Op verzoek van het Uwv heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) hiernaar een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft ISZW op haar vordering de beschikking gekregen over een aantal administratieve gegevens van [naam uitzendbureau], waaronder een excelbestand dat een lijst met aankomst- en vertrekgegevens omvat van Poolse werknemers in dienst van [naam uitzendbureau]. Dit bestand is door ISZW aangeduid als DOC-007-01 (lijst DOC-007-01). Uit het door de ISZW verrichte onderzoek is onder andere [X.] naar voren gekomen als tussenpersoon die Poolse (ex-)werknemers van [naam uitzendbureau] zou hebben gefaciliteerd bij het verkrijgen van een WW-uitkering. Daarbij zou zowel [X.] als de aanvrager de wetenschap hebben gehad dat de aanvrager op het moment dat deze niet meer werkzaam is, meteen naar Polen afreist. De WW-aanvragen zouden dus zijn gedaan op het moment dat de Poolse werknemers niet meer in Nederland verbleven. Naar aanleiding van deze uitkomsten van het door ISZW verrichte onderzoek heeft het Uwv een onderzoek ingesteld, waarbij ook informatie uit het door ISZW verrichte onderzoek is betrokken. De bevindingen van het onderzoek door het Uwv zijn neergelegd in een ‘Onderzoeksrapport Uwv Themaonderzoek IOWA’ (onderzoeksrapport) van 22 augustus 2017. Op basis van de bevindingen in het onderzoeksrapport heeft het Uwv de hierna volgende besluiten genomen.

1.6.

Bij besluit van 20 oktober 2017 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkeringen van appellant ingetrokken per 18 augustus 2014 wegens schending van de inlichtingenplicht. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij in het buitenland verblijft.

1.7.

Bij besluit van 17 november 2017 (besluit 2) heeft het Uwv de over de periode van 18 augustus 2014 tot en met 5 januari 2015 en van 7 oktober 2015 tot en met 31 januari 2016 onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 11.374,70 bruto van appellant teruggevorderd.

1.8.

Bij afzonderlijk besluit van 17 november 2017 (besluit 3) heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 5.400,-. Appellant heeft tegen de besluiten 1 tot en met 3 bezwaar gemaakt.

1.9.

Bij beslissing op bezwaar van 13 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant op de lijst DOC-007-01 staat als zijnde vertrokken naar Polen op 16 augustus 2014, respectievelijk op 3 oktober 2015. Daarnaast is uit onderzoek van ISZW gebleken dat appellant niet heeft kunnen verblijven op de adressen die zijn vermeld op de WW-aanvraagformulieren van appellant. In bezwaar heeft appellant verklaard op andere adressen te hebben gewoond dan hij in eerste instantie aan het Uwv heeft gemeld, maar hij heeft hiervoor geen enkele onderbouwing gegeven. Deze latere verklaringen van appellant zijn door het Uwv dan ook niet gevolgd. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant op 16 augustus 2014 en op 3 oktober 2015 naar Polen is vertrokken. Appellant heeft dit niet gemeld aan het Uwv. Hiermee heeft appellant zijn inlichtingenplicht overtreden.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover daarin de boete is gehandhaafd, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het boetebesluit herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant direct na het einde van zijn dienstverband op 16 augustus 2014 respectievelijk op 3 oktober 2015 naar Polen is teruggekeerd. Dit blijkt volgens de rechtbank uit de lijst DOC-007-01 en de toelichting die hierop is gegeven door [Y.], directeur van [naam uitzendbureau], op 7 maart 2017 tegenover een inspecteur van het Uwv. Ook heeft de rechtbank van belang geacht dat de door appellant op zijn

WW-aanvraagformulieren vermelde adressen onderdeel hebben uitgemaakt van het onderzoek van ISZW. Uit dit onderzoek is onder meer over deze adressen naar voren gekomen dat een groot aantal uitkeringsgerechtigde arbeidsmigranten hiervan gebruik heeft gemaakt als postadres, waar zij zelf niet hebben verbleven. Over één van de twee door appellant vermelde adressen is in het bijzonder vermeld dat de woning in de periode van

7 januari 2014 tot en met 11 november 2015 leeg heeft gestaan. Gelet op de voornoemde omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van de toekenning van zijn WW‑uitkeringen niet in Nederland verbleef. De door appellant in bezwaar overgelegde bankafschriften doen volgens de rechtbank hieraan niet af. Uit het onderzoek van ISZW is namelijk naar voren gekomen dat uitkeringsgerechtigden hun bankpas laten gebruiken door andere Poolse medewerkers om aan te tonen dat zij in Nederland aanwezig zijn.

2.2.

Over de boete heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met de in 2.1 vermelde feiten wel aannemelijk gemaakt dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, maar dit niet heeft aangetoond omdat hiermee niet onomstotelijk is komen vast te staat dat appellant op 16 augustus 2014 en op 3 oktober 2015 daadwerkelijk naar Polen is gereisd. Nu het Uwv het verblijf buiten Nederland niet heeft aangetoond, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv niet bevoegd was om een boete op te leggen.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkeringen. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Appellant is niet bekend met de lijst DOC-007-01. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 oktober 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5907, heeft appellant gesteld dat de lijst DOC-007-01 niet kan dienen als bewijs om de vertrekdata aannemelijk te maken. Appellant heeft met een beroep op het vertrouwensbeginsel aangevoerd dat het Uwv op basis van door hem verstrekte bankafschriften heeft beoordeeld dat hij verblijft in Nederland en hem een WW-uitkering toegekend. Volgens appellant mocht hij er daarom op vertrouwen dat hij aan alle voorwaarden voor het recht op een WW-uitkering voldeed. Over zijn verblijfadressen heeft appellant aangevoerd dat het niet onmogelijk is dat hij op deze adressen verbleef, nu algemeen bekend is dat Poolse mensen met meerdere personen veelal tijdelijk in een woning verblijven. Tot slot heeft appellant gesteld dat zijn verblijf in [A.] kan worden afgeleid uit de door hem overgelegde bankafschriften, waaruit blijkt dat ook na de vermeende vertrekdata nog transacties in Nederland hebben plaatsgevonden met zijn bankpas.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit voor zover aangevochten in hoger beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 64 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Vo 883/2004, de basisverordening) behoudt de volledig werkloze die voldoet aan de bij de wetgeving van de bevoegde lidstaat gestelde voorwaarden om recht te hebben op uitkeringen en die zich naar een andere lidstaat begeeft om werk te zoeken, het recht op werkloosheidsuitkering onder de in die bepaling opgenomen voorwaarden en beperkingen. Een van de voorwaarden die worden gesteld in artikel 64 van Vo 883 /2004 is dat de werkloze voor vertrek gedurende ten minste vier weken na de aanvang van zijn werkloosheid als werkzoekende ingeschreven is geweest en ter beschikking is gebleven van de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde lidstaat. Er kan echter toestemming worden verleend voor eerder vertrek. Het recht op uitkering wordt gehandhaafd gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop de werkloze niet langer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat die hij heeft verlaten.

4.1.2.

In artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is bepaald dat geen recht op uitkering heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.

4.1.3.

In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de werknemer geen recht op uitkering meer heeft op grond van artikel 1 9.

4.1.4.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW trekt het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.5.

Artikel 25 van de WW, voor zover van belang, bepaalt dat de werknemer verplicht is het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.

4.1.6.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a van de WW onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

4.2.

Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant per 18 augustus 2014 heeft ingetrokken en de betaalde WW-uitkering over de periode van 18 augustus 2014 tot en met 5 januari 2015 en van 7 oktober 2015 tot en met 31 januari 2016 terecht heeft teruggevorderd op de grond dat appellant al voorafgaand aan 18 augustus 2014 en 7 oktober 2015, namelijk vanaf 16 augustus 2014 en vanaf 3 oktober 2015, in het buitenland (Polen) verbleef anders dan wegens vakantie.

4.3.

De besluiten tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van appellant zijn belastende besluiten, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellant vanaf 16 augustus 2014 en vanaf 3 oktober 2015 buiten Nederland heeft verbleven. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3766).

4.4.

Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de naam van appellant is vermeld op de lijst DOC-007-01 met 16 augustus 2014 en 3 oktober 2015 als vertrekdata naar Polen. Ook heeft het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft kunnen verblijven op de adressen die zijn vermeld op de WW-aanvraagformulieren van appellant.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het feit dat appellant op de lijst DOC-007-01 staat met als data 16 augustus 2014 en 3 oktober 2015 voor terugkeer naar Polen, een indicatie vormt dat appellant ook daadwerkelijk op deze data naar Polen is vertrokken. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat [Y.] op 7 maart 2017 tegenover een medewerker van het Uwv heeft verklaard dat deze lijst is verkregen van een vestiging van [naam uitzendbureau] in Polen. [Y.] heeft toegelicht dat op deze lijst is bijgehouden op welke datum een werknemer is vertrokken naar Nederland om daar te gaan werken en op welke datum de werknemer weer is teruggekeerd naar Polen. Voor de vestiging van [naam uitzendbureau] in Nederland was deze lijst van belang omdat daaruit blijkt welke personen beschikbaar zijn voor werk in Nederland en voor de vestiging van [naam uitzendbureau] in Polen was deze lijst van belang omdat daaruit blijkt welke personen beschikbaar zijn voor werk in Polen. Ook heeft [Y.] verklaard dat de werknemers na afloop van het dienstverband met [naam uitzendbureau] de door [naam uitzendbureau] geregelde verblijfsplaats moesten verlaten. Verder speelde daarbij een rol dat het vervoer van en naar Nederland en Polen werd geregeld door [naam uitzendbureau]. Gelet op het belang van [naam uitzendbureau] bij het bijhouden van de lijst en de accuraatheid daarvan, zoals dit volgt uit de verklaring van [Y.], is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens op de lijst. Daarbij heeft het Uwv in aanmerking kunnen nemen dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn verblijfsplaats in Nederland na afloop van het dienstverband met [naam uitzendbureau]. Op het eerste, door appellant op 18 augustus 2014 ondertekende WW-aanvraagformulier is als adres vermeld: [adres 1] te [A.] en op het tweede, door appellant op 5 oktober 2015 ondertekende WW-aanvraagformulier is als adres vermeld: [adres 2] te [A.]. Appellant heeft in bezwaar naar aanleiding van vragen van het Uwv schriftelijk verklaard dat hij vanaf 18 augustus 2014 woonde op het adres [adres 1] te [A.], maar dat hij het merendeel van de tijd heeft doorgebracht in een studentengebouw aan het [adres 3] te [A.]. Deze schriftelijke verklaring van appellant komt niet overeen met het bevestigende antwoord dat hij op 27 augustus 2014 heeft gegeven op de schriftelijke vraag van het Uwv naar aanleiding van zijn eerste WW-aanvraag of hij ook daadwerkelijk woont op het adres [adres 1] te [A.]. Ook heeft appellant in bezwaar schriftelijk verklaard dat hij op het adres [adres 2] te [A.] slechts een week heeft gewoond en dat hij tussen 5 oktober 2015 en 7 november 2015 woonde in [naam hotel] te [C.]. Hiermee wijkt appellant af van het adres dat is vermeld op zijn tweede WW‑aanvraagformulier. Tot slot wordt overwogen dat de stelling van appellant dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hij aan alle voorwaarden voor een WW-uitkering voldeed omdat het Uwv destijds bij appellant heeft geverifieerd dat appellant op het opgegeven adres in Nederland verblijft, niet slaagt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Van een dergelijke toezegging of uitlating is in dit geval geen sprake. Geoordeeld wordt dat het Uwv met de lijst DOC-007-01, in samenhang bezien met de onduidelijkheid over de daadwerkelijke verblijfsplaats van appellant na afloop van de dienstverbanden met [naam uitzendbureau], aannemelijk heeft gemaakt dat appellant per 16 augustus 2014 en per 3 oktober 2015 naar Polen is vertrokken.

4.6.

Het lag vervolgens op de weg van appellant om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Hierin is appellant niet geslaagd. Appellant heeft op geen enkele manier onderbouwd dat hij na afloop van beide dienstverbanden met [naam uitzendbureau] daadwerkelijk heeft verbleven op de adressen die hij heeft genoemd in zijn in bezwaar overgelegde schriftelijke verklaring. Over de door appellant overgelegde bankafschriften wordt overwogen dat hieraan geen feitelijkheden zijn te ontlenen over zijn daadwerkelijke verblijfsplaats na 16 augustus 2014 en na 3 oktober 2015.

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant per 18 augustus 2014 heeft ingetrokken vanwege de omstandigheid dat appellant per 16 augustus 2014 en per 3 oktober 2015 buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie, terwijl appellant dit niet aan het Uwv heeft gemeld. Dit betekent dat de WW-uitkering over de periode van 18 augustus 2014 tot en met 5 januari 2015 en van

7 oktober 2015 tot en met 31 januari 2016 onverschuldigd is betaald en het Uwv is gehouden de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen. Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de hoogte van de terugvordering.

4.8.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.S. Barthel


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature