< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Het Uwv heeft terecht de WW-uitkering van betrokkene ingetrokken vanwege de omstandigheid dat betrokkene buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie, terwijl betrokkene dit niet aan het Uwv heeft gemeld. Het feit dat betrokkene op de vertreklijst staat voor terugkeer naar Polen vormt een indicatie dat betrokkene ook daadwerkelijk naar Polen is vertrokken. In samenhang bezien met de onduidelijkheid over de daadwerkelijke verblijfsplaats van betrokkene na afloop van het dienstverband met het uitzendbureau heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat betrokkene naar Polen is vertrokken. Betrokkene is er niet in geslaagd om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Dit betekent dat de WW-uitkering onverschuldigd is betaald en het Uwv gehouden is de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene terug te vorderen.

Uitspraak



18/5327 WW

Datum uitspraak: 5 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2018, 18/2590 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Polen (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Kocabas-Güler, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 18/5853, 18/5524, 19/1990, 19/1807 en 19/1500, plaatsgevonden op 13 november 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Kocabas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen en mr. dr. J.H. Ermers. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 18 mei 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij laatstelijk werkzaam is geweest via [naam uitzendbureau] ([naam uitzendbureau]). Bij besluit van 3 juni 2015 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 18 mei 2015 een WW-uitkering toegekend.

1.2.

Nadat appellant daar schriftelijk om had verzocht, heeft het Uwv bij besluit van 18 juni 2015 aan appellant toestemming verleend om met behoud van zijn WW-uitkering in Polen naar werk te zoeken in de periode van 22 juni 2015 tot en met 21 september 2015.

1.3.

Naar aanleiding van een aantal meldingen is het vermoeden ontstaan dat Poolse (ex)werknemers van [naam uitzendbureau] hebben gefraudeerd bij het aanvragen van hun WW-uitkeringen in die zin dat zij direct na het beëindigen van hun dienstverband naar Polen zijn teruggekeerd. Op verzoek van het Uwv heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) hiernaar een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft ISZW op haar vordering de beschikking gekregen over een aantal administratieve gegevens van [naam uitzendbureau], waaronder een excelbestand dat een lijst met aankomst- en vertrekgegevens omvat van Poolse werknemers in dienst van [naam uitzendbureau]. Dit bestand is door ISZW aangeduid als DOC-007-01 (lijst DOC-007-01). Uit het door de ISZW verrichte onderzoek is onder andere [X.] naar voren gekomen als tussenpersoon die Poolse (ex-)werknemers van [naam uitzendbureau] zou hebben gefaciliteerd bij het verkrijgen van een WW-uitkering. Daarbij zou zowel [X.] als de aanvrager de wetenschap hebben gehad dat de aanvrager op het moment dat deze niet meer werkzaam is, meteen naar Polen afreist. De WW-aanvragen zouden dus zijn gedaan op het moment dat de Poolse werknemers niet meer in Nederland verbleven. Naar aanleiding van deze uitkomsten van het door ISZW verrichte onderzoek heeft het Uwv een onderzoek ingesteld, waarbij ook informatie uit het door ISZW verrichte onderzoek is betrokken. In het kader van dit onderzoek is appellant op 2 mei 2017 gehoord door een themaonderzoeker van het Uwv. De bevindingen van het onderzoek door het Uwv zijn neergelegd in een ‘Onderzoeksrapport Uwv Themaonderzoek IOWA’ (onderzoeksrapport) van 20 juni 2017. Op basis van de bevindingen in het onderzoeksrapport heeft het Uwv de hierna volgende besluiten genomen.

1.4.

Bij besluit van 12 september 2017 heeft het Uwv appellants WW-uitkering ingetrokken per 18 mei 2015 wegens schending van de inlichtingenplicht en de over de periode van 18 mei 2015 tot en met 22 september 2015 onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 5.337,- bruto van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij in de periode van 16 mei 2015 tot en met 21 juni 2015 in het buitenland verbleef.

1.5.

Bij besluit van 11 september 2017 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van € 2.668,50 wegens schending van de inlichtingenplicht.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 27 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 en 12 september 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant op lijst DOC‑007‑01 staat als zijnde vertrokken naar Polen op 16 mei 2015. Appellant heeft geen bewijs overgelegd van de door hem gestelde omstandigheid dat hij op een latere datum met zelf geregeld vervoer naar Polen is vertrokken. Ook heeft appellant geen bewijs overgelegd van zijn verblijf in [A.] of [B.] in de periode van 16 mei 2015 tot 22 juni 2015, zoals een huurcontract of huurbetalingen. Verder bevatten de door appellant overgelegde bankafschriften wel pinbetalingen in Nederland, maar is het niet duidelijk of appellant degene was die de bedragen heeft opgenomen. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant op 16 mei 2015 naar Polen is vertrokken. Appellant heeft dit niet gemeld aan het Uwv. Hiermee heeft hij zijn inlichtingenplicht overtreden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant op de lijst DOC-007-01 staat voor de busreis naar Polen, wat strookt met het feit dat hij een buskaartje had, zoals hij heeft verklaard. Niet aannemelijk is dat de vermelding op de lijst een fout is. De stelling dat appellant toch niet met de bus is vertrokken en zijn kaartje heeft verkocht is niet onderbouwd. Verder blijkt uit de door appellant overgelegde bankafschriften dat er op 11 mei 2015 een geldbedrag is gestort op zijn bankrekening met een betaalpas, terwijl appellant tijdens het gesprek op 2 mei 2017 een andere betaalpas heeft getoond waarbij hij heeft vermeld dat er maar één betaalpas bij zijn rekening hoort. Hiermee is onvoldoende aannemelijk dat de (pin)transacties in Nederland door appellant zelf zijn verricht. Voorts heeft appellant gesteld maar één week op het adres [adres 1] te [A.] te hebben gewoond dan wel te zijn verbleven en daarna in [B.] op kamers van het uitzendbureau. Niet inzichtelijk noch aannemelijk is gemaakt waar hij in de periode van belang dan precies zou hebben gewoond/verbleven. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant op 16 mei 2015 zonder toestemming van het Uwv is vertrokken uit Nederland zonder dit voorafgaand aan het Uwv te melden. Nu appellant buiten Nederland heeft gewoond of daar verblijf heeft gehouden anders dan wegens vakantie, heeft het Uwv appellants WW-uitkering op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW terecht met terugwerkende kracht ingetrokken. Door zijn vertrek naar Polen niet te melden aan het Uwv heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Het Uwv heeft op grond daarvan terecht een boete van 50% van het benadelingsbedrag opgelegd.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Met de lijst DOC-007-01 is appellant niet bekend. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 oktober 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5907, heeft appellant gesteld dat deze lijst niets aannemelijk maakt over zijn vertrekdata. Verder kan uit de bankafschriften niet worden opgemaakt dat appellant vanaf 16 mei 2015 niet in Nederland verbleef. Appellant is na 15 juni 2015 naar Polen vertrokken; nadien zijn er ook geen geldopnames meer geweest in Nederland. Dat er een tweede bankpas is betekent niet dat door een ander stortingen zijn gedaan. Voorts heeft appellant aangevoerd dat niet onmogelijk is dat hij op het verblijfadres [adres 1] te [A.] verbleef. Dit was een tijdelijk adres waar 44 mensen verbleven over een periode van bijna 2,5 jaar. Met betrekking tot de boete heeft appellant aangevoerd dat het Uwv niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk op 16 mei 2015 naar Polen is vertrokken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 64 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Vo 883/2004, de basisverordening) behoudt de volledig werkloze die voldoet aan de bij de wetgeving van de bevoegde lidstaat gestelde voorwaarden om recht te hebben op uitkeringen en die zich naar een andere lidstaat begeeft om werk te zoeken, het recht op werkloosheidsuitkering onder de in die bepaling opgenomen voorwaarden en beperkingen. Een van de voorwaarden die worden gesteld in artikel 64 van Vo 883 /2004 is dat de werkloze voor vertrek gedurende ten minste vier weken na de aanvang van zijn werkloosheid als werkzoekende ingeschreven is geweest en ter beschikking is gebleven van de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde lidstaat. Er kan echter toestemming worden verleend voor eerder vertrek. Het recht op uitkering wordt gehandhaafd gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop de werkloze niet langer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat die hij heeft verlaten.

4.1.2.

In artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is bepaald dat geen recht op uitkering heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.

4.1.3.

In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de werknemer geen recht op uitkering meer heeft op grond van artikel 1 9.

4.1.4.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW trekt het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.5.

Artikel 25 van de WW, voor zover van belang, bepaalt dat de werknemer verplicht is het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.

4.1.6.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a van de WW onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

4.2.

Ter zitting heeft het Uwv de boete niet gehandhaafd. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt of het Uwv terecht de WW-uitkering per 18 mei 2015 heeft ingetrokken en de betaalde WW-uitkering over de periode van 18 mei 2015 tot en met 22 september 2015 terecht heeft teruggevorderd op de grond dat appellant al voorafgaand aan 18 mei 2015, namelijk per 16 mei 2015, in het buitenland (Polen) verbleef anders dan wegens vakantie.

4.3.

De besluiten tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van appellant zijn belastende besluiten, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellant vanaf 18 mei 2015 buiten Nederland heeft verbleven. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3766).

4.4.

Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de naam van appellant is vermeld op de lijst DOC-007-01 met 16 mei 2015 als de datum van zijn vertrek naar Polen. Ook heeft het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant zijn verblijf in de periode van 16 mei 2015 tot 22 juni 2015 in [A.] of [B.] niet heeft aangetoond.

4.5.

Het feit dat appellant op de lijst DOC-007-01 staat met als datum 16 mei 2015 voor terugkeer naar Polen vormt een indicatie dat appellant ook daadwerkelijk op deze datum naar Polen is vertrokken. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat [Y.], directeur van [naam uitzendbureau], op 7 maart 2017 tegenover een medewerker van het Uwv heeft verklaard dat deze lijst is verkregen van een vestiging van [naam uitzendbureau] in Polen. [Y.] heeft toegelicht dat op deze lijst is bijgehouden op welke datum een werknemer is vertrokken naar Nederland om daar te gaan werken en op welke datum de werknemer weer is teruggekeerd naar Polen. Voor de vestiging van [naam uitzendbureau] in Nederland was deze lijst van belang omdat daaruit blijkt welke personen beschikbaar zijn voor werk in Nederland en voor de vestiging van [naam uitzendbureau] in Polen was deze lijst van belang omdat daaruit blijkt welke personen beschikbaar zijn voor werk in Polen. Ook heeft [Y.] verklaard dat de werknemers na afloop van het dienstverband met [naam uitzendbureau] de door [naam uitzendbureau] geregelde verblijfsplaats moesten verlaten. Verder speelde daarbij een rol dat het vervoer van en naar Nederland en Polen werd geregeld door [naam uitzendbureau]. Gelet op het belang van [naam uitzendbureau] bij het bijhouden van de lijst en de accuraatheid daarvan, zoals dit volgt uit de verklaring van [Y.], is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens op de lijst. Daarbij heeft het Uwv in aanmerking kunnen nemen dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn verblijfsplaats in Nederland in de periode van 16 mei 2015 tot 22 juni 2015. Appellant heeft tijdens het gesprek op 2 mei 2017 met twee themaonderzoekers van het Uwv verklaard dat hij tijdens het dienstverband met [naam uitzendbureau] op het adres [adres 2] in [B.] heeft gewoond, welke huisvesting was geregeld door [naam uitzendbureau]. Ook heeft appellant verklaard dat hij na afloop van het dienstverband met [naam uitzendbureau] ongeveer één week heeft verbleven op een adres in [A.], welk adres – [adres 1] – is vermeld op het op 18 mei 2015 door appellant ondertekende WW-aanvraagformulier en welk adres appellant van [X.] als adres had doorgekregen om te gebruiken voor een WW‑uitkering. Appellant heeft verklaard daarna te zijn teruggegaan naar [naam hotel] op [adres 2] in [B.]. Hiermee heeft appellant niet inzichtelijk dan wel aannemelijk gemaakt dat hij ook daadwerkelijk op de genoemde adressen verbleef ten tijde van de in deze zaak in geding zijnde periode. Geoordeeld wordt dat het Uwv met de lijst DOC-007-01, in samenhang bezien met de onduidelijkheid over de daadwerkelijke verblijfplaats van appellant na afloop van het dienstverband met [naam uitzendbureau], aannemelijk heeft gemaakt dat appellant per 16 mei 2015 naar Polen is vertrokken.

4.6.

Het lag vervolgens op de weg van appellant om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Hierin is appellant niet geslaagd. Ter zitting in beroep is gesteld dat er stukken zijn om te bewijzen dat appellant daadwerkelijk heeft gewoond op de door hem genoemde adressen, maar deze stukken zijn – ook in hoger beroep – niet overgelegd. Over de door appellant overgelegde bankafschriften wordt overwogen dat hieraan geen feitelijkheden zijn te ontlenen over zijn daadwerkelijke verblijfsplaats na 16 mei 2015.

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant per 18 mei 2015 heeft ingetrokken vanwege de omstandigheid dat appellant vanaf 16 mei 2015 buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie, terwijl appellant dit niet aan het Uwv heeft gemeld. Dit betekent dat de WW-uitkering over de periode van 18 mei 2015 tot en met 22 september 2015 onverschuldigd is betaald en het Uwv gehouden was de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen. Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de hoogte van de terugvordering.

4.8.

Omdat het Uwv in hoger beroep het boetebesluit van 11 september 2017 niet langer handhaaft, wordt de aangevallen uitspraak vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boete. Het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover het de opgelegde boete betreft en het boetebesluit van 11 september 2017 zal worden herroepen.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op

€ 1.050,- voor de kosten in bezwaar, € 1.050,- voor kosten van rechtsbijstand in beroep en € 1.050,- voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 3.150,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de boete;

verklaart het beroep tegen het besluit van 27 februari 2018 gegrond;

vernietigt het besluit van 27 februari 2018 voor zover het ziet op de opgelegde boete;

herroept het boetebesluit van 11 september 2017;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.150,-;

bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.S. Barthel


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature