< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verlaging Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellant beschikt over arbeidsvermogen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



17 8140 WAJONG

Datum uitspraak: 31 juli 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 november 2017, 16/8004 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2020. Namens appellant is mr. Hüsen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.A. Landman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1977, heeft in verband met psychische klachten sinds 18 augustus 2007 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 8 maart 2016 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 30 mei 2016 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Bij besluit van 28 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 30 mei 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv bij de beoordeling of een persoon arbeidsvermogen heeft als hier bedoeld, de methode sociaal‑medische beoordeling van arbeidsvermogen (SMBA) gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat de SMBA-systematiek als ondersteunend systeem bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie aanvaardbaar is en dat het Compendium Participatiewet (Compendium) dat het Uwv gebruikt om de SMBA-systematiek toe te passen is te kwalificeren als vaste gedragslijn, neergelegd in een interne werkinstructie.

De rechtbank heeft het onderzoek dat het Uwv naar het arbeidsvermogen van appellant heeft verricht zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant niet tenminste vier uur per dag belastbaar is, niet tenminste een uur per dag aaneengesloten kan werken en geen basale werknemersvaardigheden heeft. De belasting in de voorbeeldtaak bestukken valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft, zodat hij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Appellant heeft gesteld dat het kader dat het Uwv hanteert voor de beoordeling van de vraag of een betrokkene beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie onzorgvuldig is samengesteld en niet is gebaseerd op objectieve criteria. Volgens appellant is onvoldoende duidelijk of een verzekeringsarts meent dat iemand een beperking heeft, wat ook aan de orde is in de medische rapporten die zien op appellant. De voorwaarden b, en c, van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn op onzorgvuldige wijze ingevuld. Zo zijn volgens appellant ten onrechte gedrag, basale collegialiteit, basale discipline en tempo niet bij de basale werknemersvaardigheden betrokken. Ook noemt het Uwv ten onrechte slechts een beperkt aantal aspecten op het gebied van ernstige cognitieve beperkingen dat van betekenis kan zijn bij de beoordeling van de vraag of een betrokkene een uur aaneengesloten kan werken. Er is ook onvoldoende aandacht voor de vraag of iemand werk op langere termijn kan volhouden. Hierdoor komen besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand en dicht het Uwv betrokkenen die niet beschikken over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie toch arbeidsvermogen toe. Volgens appellant is het Uwv teveel vrijheid gegund bij het vormgeven van ongrijpbare beoordelingscriteria en zijn bij de vaststelling van de methode SMBA en het Compendium keuzes gemaakt die niet altijd of niet direct uit de wet en het Schattingsbesluit voortvloeien. De rechter dient ook deze keuzes indringend te toetsen. Appellant heeft verder aangevoerd dat het feit dat zijn huisarts te kennen heeft gegeven dat appellant bekend is met concentratieproblemen, dat een werksituatie kortdurend zal zijn en de stoornissen van appellant zal doen verergeren, het Uwv ten onrechte niet heeft doen twijfelen aan het standpunt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Dit klemt volgens appellant te meer omdat hij medicatie gebruikt en in de geselecteerde taak bestukken geconcentreerd en secuur gewerkt moet worden. Op grond van welke objectieve criteria het Uwv de taak bestukken heeft beschreven is appellant overigens onduidelijk. Het takenbestand is onvoldoende concreet en toetsbaar. Appellant heeft aangevoerd dat zijn procespositie zwak is doordat hij geen deskundige kan betalen. Hij staat naar zijn mening op achterstand door de onduidelijke beoordelingscriteria. Om een gelijke procespositie te waarborgen, dient de Raad volgens appellant een deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078.

4.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of bij een betrokkene sprake is van (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen.

4.3.

Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader en voor het kader dat het Uwv hanteert ten behoeve van de beoordeling van het arbeidsvermogen, wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286. In eerstgenoemde uitspraak is overwogen dat aan het Uwv niet de mogelijkheid kan worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en methode vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. De in het Compendium gegeven toelichting op de vier voorwaarden is een uitwerking van de toelichting op deze voorwaarden uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, blz. 34 e.v. Hoofdstuk 5.1) en uit de Nota van Toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet (blz. 6 e.v.). Dit systeem is in de externe functie ervan niet meer dan een hulpmiddel om een besluit wat betreft de medische en arbeidskundige uitgangspunten voldoende inzichtelijk te maken. Vervolgens is in die uitspraak overwogen dat het aan de bestuursrechter is de vraag te beantwoorden of het Uwv met toepassing van de methode SMBA, de daarbij ondersteunende systemen en de in het Compendium opgenomen werkinstructie in de voorliggende zaak voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of de gehanteerde werkwijze heeft gevoerd tot een resultaat dat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb kan doorstaan. Het gaat daarbij steeds om een volle toetsing van de besluitvorming. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om anders over de methode SMBA en het Compendium te oordelen dan in de genoemde uitspraak is gedaan, en zal op de daarin genoemde wijze beoordelen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellant over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie beschikt.

4.4.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec van 8 oktober 2015 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212), de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter in arbeidsongeschiktheidszaken. Getoetst dient te worden in drie stappen, te weten: 1. zorgvuldigheid van de besluitvorming, 2. equality of arms, en 3. inhoudelijke beoordeling.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.5.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het onderzoek door de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De artsen hebben navraag gedaan naar de ervaren belemmeringen, waren op de hoogte van de klachten van appellant en hebben deze kenbaar in hun beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op de hoorzitting gezien en heeft de ingebrachte medische informatie van de huisarts bij zijn beoordeling betrokken. Ook de arbeidsdeskundigen hebben op zorgvuldige wijze onderzoek verricht. Daarbij is met appellant en zijn vader gesproken, is overleg met de primaire arts gevoerd en is op inzichtelijke wijze gerapporteerd. Tempo en gedragsaspecten hebben de nodige aandacht gekregen.

Stap 2: equality of arms

4.6.

Geen reden bestaat om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Appellant heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om (medische) stukken in te dienen om zijn standpunt te onderbouwen. Die ruimte heeft hij ook benut door het overleggen van gegevens van zijn huisarts. Het betoog dat appellant op achterstand staat door de ongrijpbare beoordelingscriteria treft geen doel. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad twijfel te zaaien over de inhoud van de beschikbare rapporten en de beschrijving van de taak ‘bestukken’, de door het Uwv gehanteerde werkwijze en de uitleg in het Compendium. Van een schending van het beginsel van equality of arms is onder deze omstandigheden geen sprake. Hierin is dan ook geen reden gelegen een deskundige in te schakelen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.7.1.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusies van de artsen en arbeidsdeskundigen van het Uwv. De primaire arts heeft appellant gezien op spreekuur en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond. De artsen van het Uwv hebben rekening gehouden met de psychische en overige klachten, voortkomend uit de bij appellant diagnosticeerde aandoeningen. De artsen hebben de door hen aangenomen beperkingen op overzichtelijke wijze weergegeven in hun rapporten. Zij hebben daarbij onder meer rekening gehouden met eisen op het terrein van tussenmenselijke interacties en relaties. De artsen hebben voldoende onderbouwd waarom appellant ondanks de klachten en beperkingen over arbeidsvermogen beschikt. Inzichtelijk gemotiveerd is uiteengezet waarom er geen sprake is van een situatie waarin benutbare mogelijkheden ontbreken en waarom, met inachtneming van de standaard Duurbelastbaarheid in arbeid, een urenbeperking niet aan de orde is. De gestelde concentratieproblemen zijn nadrukkelijk bij de beoordeling betrokken. Dat geldt ook voor het gegeven dat appellant medicatie gebruikt. De primaire arts heeft vastgesteld dat appellant tijdens het spreekuur in staat was zijn aandacht bij het gesprek te houden en dat er geen ernstige cognitieve problematiek aanwezig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat geen sprake is van een ernstige verstandelijke beperking waardoor binnen het uur herhaalde bijsturing nodig is en ook dat het concentratievermogen niet dermate gestoord is dat appellant niet een uur met een (eenvoudige) taak bezig zou kunnen zijn. Dat bij de beoordeling van dit aspect ten onrechte alleen is bezien of appellant ernstige cognitieve beperkingen heeft, wordt niet gevolgd. Uit de beschikbare rapporten blijkt dat, in navolging van het Compendium, ook is gekeken naar de activiteiten in het dagelijks leven en dat aandacht is besteed aan fysieke klachten, psychische klachten en medicatiegebruik.

4.7.2.

Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de gegeven toelichting. Dat de huisarts heeft opgemerkt dat een werksituatie altijd kortdurend zal zijn en de stoornissen zal verergeren, leidt alleen daarom al niet tot een ander oordeel, omdat geenszins vaststaat dat de huisarts hierbij voor appellant passende werkomstandigheden en werkvoorwaarden in aanmerking heeft genomen.

4.8.1.

In de aangevallen uitspraak is eveneens terecht overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat appellant niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat de taak bestukken geschikt is voor appellant. De arbeidsdeskundige heeft de beperkingen vertaald naar voorwaarden voor functioneren in werk en werkomgeving en met inachtneming daarvan voorbeelden van een geschikte werksoort benoemd, te weten werk in een betrekkelijk solitaire functie, dat appellant zonder veel gestoord te worden kan doen, zonder klantcontacten. Gedacht is aan eenvoudige, niet band gestuurde montage werkzaamheden. Uitgebreid gemotiveerd is uiteengezet waarom appellant geacht wordt te beschikken over basale werknemersvaardigheden. Ook is toegelicht waarom de taak bestukken is geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens op inzichtelijke wijze onderschreven dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden, daarbij gedragsaspecten en tempo betrokken, enkele aanvullende voorwaarden voor het functioneren in werk en werkomgeving toegevoegd en de geselecteerde taak onverkort passend geacht. Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat gestructureerd productiewerk passend is en dat het in de geselecteerde taak gaat om gestructureerde werkzaamheden zonder deadlines, pieken, hoge prestatienorm en zonder contacten met onbekende derden, waarbij de leidinggevende of een aanwezige collega kan zorgdragen voor de noodzakelijke begeleiding. In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 september 2017 nog toegelicht dat appellant niet beperkt is op concentratie en secuur werken.

4.8.2.

Wat appellant heeft aangevoerd geeft onvoldoende aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat appellant de geselecteerde taak van bestukken kan verrichten omdat in die taak kan worden voldaan aan de onder 4.8.1 geschetste voorwaarden. Voor twijfel aan de inhoud van de taakbeschrijving bieden de door appellant geuite algemene noties onvoldoende concrete aanknopingspunten. Daarbij wordt betrokken dat, zoals in het Compendium terecht is opgemerkt, de gedachte achter de Participatiewet is dat werkgevers moeite doen om ook voor mensen met beperkingen werk te creëren. Van belang is of iemand een activiteit kan ontplooien, waarvoor een werkgever enig loon zou willen betalen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen, 2011-2012, 33161, nr. 3, blz. 36). De wijze waarop het takenbestand door het Uwv wordt opgesteld, moet borgen dat het taken betreft waarbij het voor werkgevers in principe mogelijk is dit in hun organisatie in te passen. Blijkens de onder 4.3 genoemde Nota van Toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit is het niet nodig dat de geselecteerde taken als zodanig als een functie voorkomen op de arbeidsmarkt. “Waar het om gaat is dat de taken geselecteerd zijn uit functies die daadwerkelijk voorkomen en dat de taken voor kunnen komen. (…) Bij de beoordeling van arbeidsvermogen wordt niet gekeken of de taak die iemand kan uitvoeren ook bestaat in de vorm van een specifieke baan die op dat moment beschikbaar is op de arbeidsmarkt. De beoordeling is een theoretische.” Verder is in het Compendium weergegeven dat in de taakbeschrijving een karakteristiek van de werksituatie, de taakeisen en gegevens over de fysieke en sociale werkomgeving worden opgenomen. In de taakbeschrijving van bestukken zijn niet als taakeisen opgenomen: gedwongen werktempo en hoog handelingstempo, storingen en onderbrekingen, deadlines en productiepieken. Wel is de taakeis benoemd dat moet worden zorggedragen voor zo min mogelijk afgekeurde printplaten bij controle of testen. De beschikbare gegevens geven geen aanleiding voor het oordeel dat appellant niet zou kunnen voldoen aan de taakspecifieke eisen uit de taakomschrijving.

4.9.

Nu er geen twijfel is ontstaan over de beoordeling door het Uwv bestaat ook om die reden geen aanleiding voor het raadplegen van een deskundige. Gelet hierop kan het door appellant gestelde financiële onvermogen om zelf een deskundige in te schakelen, buiten beschouwing worden gelaten.

4.10.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellant beschikt over arbeidsvermogen.

4.11.

De overwegingen in 4.3 tot en met 4.10 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2020.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) H. Spaargaren


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature