< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2020:1689 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2020:79.

Voortzetting WGA‑loonaanvullingsuitkering. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op 24 juli 2014 niet ook al duurzaam was, nu voldoende aannemelijk is dat ten tijde hier van belang een meer dan geringe kans op herstel bestond.

Uitspraak



17/7975 WIA-G

Datum uitspraak: 15 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 november 2017, 16/3691 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.W.M. Pennings, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 augustus 2019.

Appellante heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als verzorgende C voor gemiddeld 20,58 uur per week. Voor deze werkzaamheden is appellante op 25 januari 2010 uitgevallen met rugklachten en psychische klachten. Appellante heeft op 14 oktober 2011 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft het Uwv appellante met ingang van 21 januari 2013 een WIA-uitkering geweigerd, omdat appellante per 21 januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 13 juni 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 januari 2013 ongegrond verklaard. Dit besluit staat, gelet op de uitspraak van de Raad van 4 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1681), in rechte vast.

1.3.

Appellante heeft zich per 12 september 2013 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. In dat kader heeft een herbeoordeling plaatsgevonden en is appellante onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv van 20 augustus 2015. Deze arts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 4 november 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens in zijn rapport vastgesteld dat er geen functies geselecteerd kunnen worden en geadviseerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend moet worden op 100%.

1.4.

In overeenstemming met dit advies heeft het Uwv in een besluit van 21 januari 2016 bepaald dat appellante vanaf 12 september 2013 tot 20 juni 2014 een loongerelateerde WGA‑uitkering wordt toegekend en vanaf 21 juni 2014 tot 24 juli 2014 een WGA‑loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

1.5.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 oktober 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv bepaald dat de WGA‑loonaanvullingsuitkering vanaf 24 juli 2014 wordt voortgezet. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 15 september 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 4 oktober 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) geoordeeld dat het Uwv bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen niet in strijd heeft gehandeld met het in deze uitspraak vervatte beoordelingskader. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Bij het bestreden besluit is appellante weliswaar per 24 juli 2014 volledig arbeidsongeschikt geacht, maar dit had enkel daarmee te maken dat op moment van de onderhavige beoordeling niet voldoende functies waren te selecteren. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv dat verbetering van de belastbaarheid van appellante niet was uitgesloten houdbaar geacht. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellante in beroep heeft aangevoerd onvoldoende is voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar gronden van beroep herhaald. In de kern komen deze gronden erop neer dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. In aanvulling daarop heeft appellante naar voren gebracht dat géén concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden met betrekking tot de kans op herstel heeft plaatsgevonden. Evenmin heeft het Uwv een mogelijk resultaat van behandeling voor appellante onderbouwd. De door de verzekeringsarts genoemde behandelmogelijkheden heeft appellante al doorlopen, echter zonder resultaat. Appellante heeft daarbij een overzicht gegeven van therapieën en behandelingen welke door de rechtbank niet zijn meegenomen in de beoordeling. Zo is appellante in 2016 met de injecties gestopt aangezien ze geen effect hadden. Ook heeft zij aangevoerd dat, anders dan het Uwv heeft gesteld, er wel cognitieve gedragstherapie heeft plaatsgevonden. Appellante heeft nieuwe medische stukken ingediend van anesthesist dr. C. Wilhelmi van 10 januari 2018, 21 december 2016 en 24 februari 2015, van de huisarts van 10 juli 2017, van de Reinaert Kliniek van 18 september 2015 en van psycholoog Staschik van 18 januari 2018.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is de vraag of appellante op de datum in geding, 24 juli 2014, niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt was en daarom met ingang van die datum in aanmerking komt voor een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) overwogen dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De omstandigheid dat de behandelingen, achteraf gezien, geen dan wel minder verbetering hebben gebracht dan was te verwachten, is geen grond om aan te nemen dat de verwachting van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) die bestond ten tijde van de beoordeling voor onjuist moet worden gehouden.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft – in aanvulling op de rapporten van 15 september 2016, 18 januari 2017, 20 april 2017 en 10 juli 2017 – in een rapport van 13 augustus 2019 nader gemotiveerd dat op 24 juli 2014 geen sprake was van een situatie van duurzame arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van alle beschikbare medische informatie een voldoende gemotiveerde onderbouwing gegeven voor het standpunt van het Uwv dat op het moment van de beoordeling van appellante geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen. Daartoe wordt van belang geacht dat uit de informatie van de anesthesist dr. Wilhelmi van 21 december 2016 naar voren komt dat appellante op 1 mei 2014 nog een behandeling heeft ondergaan, waarvan de anesthesist te kennen heeft gegeven dat appellante van deze behandeling op 1 mei 2014 in een half jaar een significante pijnvermindering kon bereiken. Omdat op datum in geding het effect van de laatste behandeling van 1 mei 2014 nog moest worden afgewacht, was volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de kans op verbetering in de belastbaarheid van de rug meer dan gering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tevens bij zijn beoordeling betrokken dat appellante in haar schouders meerdere injecties heeft gehad voor haar tendinitis, een irritatie of ontsteking van een pees rond het schoudergewricht. Als appellante in overleg met de orthopeed besloten had om een Neerplastiek operatie te laten uitvoeren, zou dat bovendien een meer dan geringe kans op verbetering in de belastbaarheid van de schouder geboden hebben in het eerste jaar na het uitvoeren van een dergelijke operatie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kon de conclusie van de orthopeed, zoals weergegeven in de brief van de huisarts van 2 mei 2018, dat er geen behandelingsmogelijkheden op orthopedisch terrein meer zijn, dan ook pas ver na de datum in geding worden getrokken.

4.5.

Met het onder 4.4 genoemde rapport van 13 augustus 2019 heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op 24 juli 2014 niet ook al duurzaam was, nu voldoende aannemelijk is dat ten tijde hier van belang een meer dan geringe kans op herstel bestond.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om tot het oordeel te komen dat zij met ingang van 24 juli 2014 ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht die aanleiding kan geven tot twijfel over de juistheid van de beoordeling op de datum in geding.

4.7.

Het Uwv heeft pas in hoger beroep een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van de gronden.

5. In verband met wat onder 4.7 is overwogen, is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op € 1.050,- aan kosten voor rechtsbijstand in beroep, € 525,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.575,-. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.575,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, als voorzitter en M. Schoneveld en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) B.V.K. de Louw


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature