< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Het hof heeft overwogen dat de omstandigheden van de arbeidsverhouding maken dat al betwijfeld kan worden of tussen partijen sprake was van een gezagsrelatie, maar dat die gezagsrelatie in ieder geval aan de zorgovereenkomst is komen te ontvallen doordat de broer op 15 december 2015 onder curatele is gesteld en appellant is benoemd tot (mede-)curator van de broer. Conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf (in ieder geval) 1 juli 2008 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot zijn broer en werknemer is geweest in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW .

Uitspraak



17/7490 WW

Datum uitspraak: 23 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 oktober 2017, 17/3322 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.G. van der Wallen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wallen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft in 2005, in 2007 en vanaf 1 juli 2008 zorg verleend aan zijn broer

[naam broer appellant] (broer), die een lichamelijke beperking heeft. Deze broer beschikt over een persoonsgebonden budget, waaruit appellant betaald werd voor door hem verleende zorg, laatstelijk tegen een vergoeding van € 2.800,- per maand. De betalingen aan appellant werden verricht door de Sociale verzekeringsbank (Svb).

1.2.

Bij beschikking van 15 december 2015 heeft de kantonrechter de broer onder curatele gesteld, met benoeming van appellant en beider moeder [naam moeder] als curator. Bij beschikking van 12 oktober 2016 heeft het gerechtshof Den Haag (hof) de beschikking van 15 december 2015 vernietigd, het inleidend verzoek tot ondercuratelestelling afgewezen en onder meer doorhaling van de inschrijving van de curatele in het daarvoor aangewezen register gelast.

1.3.

Appellant heeft in verband met een conflict met zijn broer sinds maart 2016 geen zorg meer aan zijn broer verleend en heeft vanaf augustus 2016 geen loon meer ontvangen. Op 27 december 2016 heeft appellant per 1 augustus 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd, volgens het aanvraagformulier in verband met werkloosheid ontstaan uit een sinds 1 juli 2008 bestaand dienstverband.

1.4.

Bij besluit van 28 december 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per

1 augustus 2016 geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat hij niet voldoet aan de zogenoemde wekeneis.

1.5.

Het tegen het besluit van 28 december 2016 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit de motivering gewijzigd, in die zin dat appellant per 1 augustus 2016 geen recht heeft op een WW-uitkering primair omdat hij in verband met de werkzaamheden voor zijn broer niet verzekerd was op grond van de WW, subsidiair omdat niet duidelijk is wat de eerste werkloosheidsdag is en meer subsidiair dat het recht op WW niet kan worden vastgesteld omdat niet kan worden beoordeeld of appellant aan de wekeneis voldoet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kantonrechter in een door appellant tegen zijn broer aanhangig gemaakte zaak bij vonnis van 11 juli 2017 heeft geoordeeld dat tussen partijen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat appellant zorg heeft verleend aan zijn broer en dat hij hiervoor loon dan wel een vergoeding heeft ontvangen. Het geschil betreft de vraag of appellant in een gezagsverhouding tot zijn broer heeft gestaan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om daarover anders te oordelen dan de kantonrechter in zijn vonnis van 11 juli 2017 heeft gedaan. Het betoog van appellant dat zijn broer hem vertelde wanneer en op welke wijze hij iets gedaan wilde hebben, kan hem volgens de rechtbank niet baten. Immers, dit kan worden beschouwd als het geven van een opdracht, maar niet gebleken is dat zijn broer daarbij aanwijzingen of instructies gaf of controle uitoefende. Ook voerden appellant en zijn broer geen voortgangs- of verantwoordingsgesprekken met elkaar. Aan de stelling van appellant dat de ondercuratelestelling achteraf geacht wordt niet te hebben bestaan, is de rechtbank voorbijgegaan, omdat gedurende de periode voorafgaand aan de beschikking van het hof feitelijk wel als zodanig is gehandeld. Het betoog van appellant dat alleen zijn moeder als curator heeft gehandeld heeft hij niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft overwogen dat hieruit volgt dat er tussen appellant en zijn broer geen gezagsverhouding bestond, en daarmee ook geen privaatrechtelijke dienstbetrekking.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat wel sprake was van een gezagsverhouding tussen zijn broer en hem, en dat dus sprake was van een arbeidsovereenkomst. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant gewezen op de schriftelijke arbeidsovereenkomsten, de loonspecificaties, de jaaropgaven en de loonbetaling via de Svb. Appellant heeft gesteld dat het de uitdrukkelijke bedoeling was van partijen om een arbeidsovereenkomst te sluiten, in welk kader appellant erop heeft gewezen dat partijen in de arbeidsovereenkomst de werkzaamheden, het loon en de werkdagen hebben opgenomen. Voorts heeft zijn broer zich ook als werkgever gedragen, nu hij de tijdstippen en de inhoud van het werk bepaalde en de manier waarop het moest worden verricht. Er was weliswaar sprake van een arbeidsverhouding tussen broers, maar in feite was dit een normale arbeidsverhouding die in principe niet afweek van andere arbeidsverhoudingen. Appellant heeft voorts opgemerkt dat hij weliswaar tot mede-curator is benoemd, maar aan die benoeming geen uitvoering heeft gegeven. Zijn moeder ontfermde zich over zijn broer, en de arbeidsverhouding tussen appellant en zijn broer veranderde in feite niet.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft erop gewezen dat appellant zich op 15 december 2015 met zijn moeder heeft laten aanstellen tot curator van zijn broer. Volgens het Uwv gaat de taak van een curator over een persoon niet samen met het in een gezagsverhouding staan tot diezelfde persoon.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de orde is de vraag of appellant kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en aldus aanspraak kan maken op een WW-uitkering. In artikel 3, eerste lid, van de WW is als werknemer gedefinieerd de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4.2.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.3.

Niet in geschil is dat appellant arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen werknemer was omdat er tussen zijn broer en appellant geen sprake was van een gezagsverhouding en dus ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Gelet op het feit dat de WW-aanvraag van appellant was gericht op de datum van 1 augustus 2016 is de beoordeling beperkt tot de aanspraak van appellant per die datum.

4.4.

Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413) geldt ook bij een arbeidsverhouding tussen partijen die tot elkaar in een familierechtelijke betrekking staan als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan gezag is onderworpen van de wederpartij. Van gezag zal sprake zijn als laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk

(zie ECLI:NL:CRVB:2016:1329). Het bestaan van een familierelatie is een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling zoals die hiervoor onder 4.2 is weergegeven

(zie ECLI:NL:CRVB:2016:1759).

4.5.

Nu appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op uitkering heeft. Dit brengt mee dat appellant aannemelijk dient te maken dat vanaf in ieder geval 1 juli 2008 een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen hem en zijn broer.

4.6.

Bij het genoemde vonnis van 11 juli 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat tussen appellant en zijn broer geen sprake is van een gezagsverhouding en dus ook niet van een arbeidsovereenkomst, en is de door appellant ingediende loonvordering afgewezen. Bij arrest van 18 december 2018 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter van 11 juli 2017 bekrachtigd. Het hof heeft overwogen dat de omstandigheden van de arbeidsverhouding (zorgkarakter, zorg verleend door broer, onder de regie van de moeder van appellant en zijn broer) maken dat al betwijfeld kan worden of tussen partijen sprake was van een gezagsrelatie, maar dat die gezagsrelatie in ieder geval aan de zorgovereenkomst is komen te ontvallen doordat de broer op 15 december 2015 – mede op verzoek van appellant – onder curatele is gesteld en appellant is benoemd tot (mede-)curator van de broer. Daarmee is volgens het hof niet te verenigen dat een onder curatele gestelde gezag uitoefent over zijn curator in het kader van een tussen hen bestaande arbeidsrelatie.

4.7.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij per (in ieder geval) 1 juli 2008 een arbeidsovereenkomst met zijn broer heeft gesloten een zorgovereenkomst/arbeidsovereenkomst overgelegd van 15 juni 2005 tot en met

15 augustus 2005, een zorgovereenkomst/arbeidsovereenkomst van 1 mei 2007 tot en met

31 juli 2007 en een wijziging zorgovereenkomst per 1 januari 2016. Hiermee heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt dat partijen hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten per 1 juli 2008. De zorgovereenkomsten/arbeidsovereenkomsten uit 2005 en 2007 zien ieder op een korte, afgesloten periode en hebben op zichzelf geen betekenis voor de vanaf

1 juli 2008 tussen appellant en zijn broer bestaande rechtsverhouding. Verder is er geen overeenkomst overgelegd per 1 juli 2008, en kan uit de wijziging zorgovereenkomst per

1 januari 2016 niet gedestilleerd worden wat partijen voor ogen stond bij het aangaan van de rechtsverhouding per 1 juli 2008. Appellant heeft ook niet kunnen toelichten welke afspraken hij heeft gemaakt met zijn broer bij de aanvang van de arbeidsverhouding.

4.8.

Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke invulling van de tussen hem en zijn broer bestaande rechtsverhouding zodanig was dat sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Appellant heeft weliswaar gesteld dat zijn broer zich altijd als werkgever heeft gedragen en dat zijn broer de tijdstippen en de inhoud van het werk bepaalde en de manier waarop het werk moest worden verricht, maar hij heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens. Gelet op het feit dat appellant aannemelijk dient te maken dat sprake is van een arbeidsovereenkomst had dat wel op zijn weg gelegen. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake was van een arbeidsovereenkomst heeft appellant erop gewezen dat uit loonstroken blijkt dat de Svb loonheffing heeft ingehouden op zijn loon en premies WW/WIA heeft afgedragen, en dat in Suwinet staat vermeld dat vanaf 1 juli 2008 sprake was van een arbeidsovereenkomst. Aan appellant kan worden toegegeven dat deze omstandigheden wel aanwijzingen zijn dat mogelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar dat afdracht en vermelding op zich niet bepalend zijn voor werknemerschap in de zin van de werknemersverzekeringen. Voorts is van betekenis dat de kantonrechter, na een verzoek van appellant en zijn moeder daartoe, zijn broer op 15 december 2015 onder curatele heeft gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van appellant en zijn moeder tot curatoren. Hieruit blijkt dat in ieder geval vanaf 15 december 2015 geen sprake was van een gezagsverhouding tussen appellant en zijn broer. Het is immers niet voorstelbaar dat een onder curatele gestelde persoon gezag uitoefent over zijn curator in het kader van een tussen hen bestaande arbeidsrelatie. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, aan de benoeming als curator geen enkele uitvoering heeft gegeven, heeft hij niet met objectieve en controleerbare gegevens onderbouwd. De enkele summiere verklaring van zijn moeder, mede-curator, is daartoe onvoldoende.

4.9.

Conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf (in ieder geval) 1 juli 2008 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot zijn broer en werknemer is geweest in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW . Het Uwv heeft daarom op goede gronden besloten dat appellant per 1 augustus 2016 geen recht heeft op een WW-uitkering.

4.10.

Dit betekent dat het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van het Uwv geen bespreking behoeven.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2020.

(getekend) M. Greebe

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature