< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Zorgvuldig medisch onderzoek door Uwv. Geoordeeld wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de in het dossier aanwezige gegevens en de eigen onderzoeksbevindingen de beschikking had over voldoende informatie om zijn heroverweging op te baseren. Wat appellant heeft gesteld over de (on)volledigheid van het dossier wordt niet gevolgd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellant niet verdergaand beperkt te achten is dan door de verzekeringsarts aangenomen en vastgelegd in de FML van 4 april 2016. Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat, uitgaande van deze FML, niet is gebleken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



18 1804 WIA

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 februari 2018, 16/7512 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Simicevic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als assistent buitendienst bij een gemeente. Op 25 maart 2009 heeft appellant zich ziek gemeld met pijnklachten van het bewegingsapparaat en spanningen bij bestaande psychosociale problematiek. Bij besluit van 16 maart 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de in verband met een zogenoemde loonsanctie verlengde wachttijd met ingang van 21 maart 2012 een WGA-uitkering op grond van de

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 4 oktober 2012 ongegrond verklaard. Dit laatste besluit is in rechte onaantastbaar geworden bij uitspraak van de Raad van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3503).

1.2.

Op 26 oktober 2015 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd. Bij besluit van 28 april 2016 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 1 juni 2015 een WIA-uitkering toe te kennen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellant weliswaar zijn toegenomen, maar dat dit niet leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35%. Het Uwv heeft zich hierbij gebaseerd op een rapport van 5 april 2016 van een verzekeringsarts met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2016 en een rapport van 21 april 2016 van een arbeidsdeskundige. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

20 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich hierbij gebaseerd op een rapport van 4 oktober 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 18 oktober 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het door het Uwv verrichte medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 4 april 2016. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), productiemedewerker metaal en electro-industrie (eenvoudige machines bedienen) (SBC-code 111171) en magazijn/expeditiemedewerker (SBC-code 111220) de belastbaarheid van appellant overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij de beoordeling is uitgegaan van een onvolledig dossier. Volgens appellant is door het Uwv in de bezwaarfase toegezegd dat informatie zou worden opgevraagd bij zijn behandelend psychiater L. Reidsma van Cirya GGZ en is niet gebleken dat dit ook is gebeurd. Op de zitting van de rechtbank heeft het Uwv, zonder dit te onderbouwen, naar voren gebracht dat wel om informatie is verzocht, maar dat die niet is ontvangen. De rechtbank heeft hier volgens appellant ten onrechte genoegen mee genomen. Appellant heeft verder het ook in beroep ingenomen standpunt herhaald dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet geschikt zijn, omdat zij niet stroken met zijn beperkingen, nu hij aangewezen is op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Voorts heeft appellant de vraag opgeworpen in hoeverre rekening is gehouden met zijn mentale beperkingen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is volgens het Uwv een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Het Uwv heeft daarom allereerst verwezen naar het in beroep ingediende verweerschrift. Zoals in dat verweerschrift al beschreven is in de bezwaarfase wel degelijk informatie opgevraagd bij psychiater Reidsma. De informatieverzoeken van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevinden zich ook onder de gedingstukken. Er is echter geen reactie ontvangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op basis van de beschikbare informatie een zo volledig beeld van de medische situatie op de datum in geding dat hij ook zonder de informatie van psychiater tot een heroverweging kon komen. Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen sprake is van een hoog handelingstempo.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA , zoals van toepassing ten tijde van belang, bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.

4.2.

Niet in geschil is dat sprake is van toegenomen beperkingen die voortkomen uit dezelfde oorzaak als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA , binnen vijf jaar na 21 maart 2012. In geschil is of het Uwv, met inachtneming van deze toegenomen beperkingen, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 juni 2015 terecht heeft gesteld op minder dan 35%.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts heeft appellant gezien en hij heeft informatie van de psycholoog van 9 april 2013, van de huisarts van 5 februari 2015, 18 februari 2016 en 23 maart 2016 en van Cirya GGZ van 9 december 2015 bij zijn beoordeling betrokken. Uit deze laatstgenoemde informatie blijkt dat appellant van 10 juni 2015 tot 9 december 2015 in behandeling is geweest bij Cirya GGZ. Het dossier is afgesloten omdat appellant niet reageerde op oproepen voor contact. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de in het dossier aanwezige gegevens, waaronder aanvullende informatie van de huisarts van 8 augustus 2016 en is bij de hoorzitting aanwezig geweest.

4.4.

Geoordeeld wordt voorts dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de in het dossier aanwezige gegevens en de eigen onderzoeksbevindingen de beschikking had over voldoende informatie om zijn heroverweging op te baseren. Wat appellant heeft gesteld over de (on)volledigheid van het dossier wordt niet gevolgd. De gang van zaken rond het vragen van informatie aan psychiater Reidsma zoals die door het Uwv is beschreven, is geheel in overeenstemming met de stukken die zich in het dossier bevinden. Uit die stukken blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog op de dag van de hoorzitting, 23 augustus 2016, een informatieverzoek aan psychiater Reidsma heeft gezonden. Toen hij op 13 september 2016 nog geen reactie had ontvangen, heeft hij een herhaald verzoek aan Reidsma gezonden. Hij heeft appellant hiervan op de hoogte gesteld en hem in overweging gegeven Reidsma te verzoeken zo snel mogelijk te reageren. Ook hierop is geen informatie van Reidsma ontvangen. Het Uwv heeft dit ook al in het verweerschrift dat bij de rechtbank is ingediend naar voren gebracht.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellant niet verdergaand beperkt te achten is dan door de verzekeringsarts aangenomen en vastgelegd in de FML van 4 april 2016. Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat, uitgaande van deze FML, niet is gebleken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, de mogelijkheden van appellant overschrijdt. Daarbij wordt aangetekend dat, anders dan door appellant kennelijk verondersteld, in deze functies geen sprake is van een hoog handelingstempo. Voor zover appellant met zijn vraag in hoeverre rekening is gehouden met zijn mentale beperkingen heeft bedoeld te stellen dat hiermee niet of in onvoldoende mate onvoldoende rekening is gehouden, geldt dat hij dit niet heeft onderbouwd.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) B.V.K. de Louw


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature