< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verlaging gehuwdennorm met 10% in verband met lagere lasten door ontbreken eigen woning. Opvang door Leger des Heils waarvoor eigen bijdrage verschuldigd was, die niet volledig met woonkosten gelijkgesteld kan worden. Meer besteedbaar inkomen dan norm voor verblijf in een inrichting. Niet concreet gemaakt dat appellante niet in bestaanskosten kon voorzien.

Uitspraak



19 288 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 december 2018, 18/1632 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)

Datum uitspraak: 2 juni 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. Rispens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Appellante, daartoe opgeroepen, is niet in persoon verschenen. Mr. Rispens is namens haar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.K. Bossaert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante was dakloos en heeft zich op 31 mei 2017 gemeld bij het Leger des Heils te [gemeente] voor opvang. Het Leger des Heils heeft appellante opvang geboden. Op 23 juni 2017 heeft zij bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 27 juli 2017 heeft het college appellante met ingang van 23 juni 2017 bijstand verleend op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande tot een bedrag van € 982,79 per maand. Hierbij heeft het college de bijstand van appellante verlaagd met 20% van de gehuwdennorm, te weten een bedrag van € 281,86, op de grond dat dat zij geen woonkosten heeft. Verder heeft het college van de bijstandsuitkering de eigen bijdrage van appellante in de kosten van de opvang door het Leger des Heils tot een bedrag van € 351,35 per maand aan het Leger des Heils betaald. Vanaf 16 oktober 2017 huurt appellante een woning en ontvangt zij bijstand zonder verlaging.

1.2.

Bij besluit van 17 november 2017 heeft het college het besluit van 27 juli 2017 herzien in die zin dat appellante over de periode van 31 mei 2017 tot en met 15 oktober 2017 bijstand is verleend naar de norm van een alleenstaande en dat de verlaging is teruggebracht naar 10% van de gehuwdennorm, te weten een bedrag van € 140,93. Bij besluit van 27 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het college deze verlaging na bezwaar gehandhaafd. Hieraan heeft het college, met verwijzing naar artikel 27 van de PW en artikel 10.1 van de beleidsregels “Nadere regels Jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en Participatiewet Wageningen 2016” (Beleidsregels), ten grondslag gelegd dat appellante lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan had. Appellante had geen woonkosten en kwam bij het Leger des Heils naast onderdak ook in aanmerking voor overige voorzieningen. Bij deze besluitvorming heeft het college in aanmerking genomen dat appellante zo een hoger bedrag aan bijstand overhield dan de norm is bij verblijf in een inrichting.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 31 mei 2017 tot en met 15 oktober 2017 (te beoordelen periode ).

4.2.

In deze zaak ligt in hoger beroep uitsluitend de vraag voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de bijstand van appellante 10% van de gehuwdennorm heeft mogen verlagen in verband met het ontbreken van een eigen woning en de daarmee gepaard gaande lagere lasten. Appellante betoogt dat zij geen lagere kosten had, omdat de eigen bijdrage aan het Leger des Heils hoger was dan de zogenoemde normhuur en zij niet in aanmerking kwam voor huurtoeslag. Daarom heeft zij recht op de volledige norm voor een alleenstaande.

4.3.

Ingevolge artikel 27 van de PW kan het college de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de PW , lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Het door het college vastgestelde en gepubliceerde beleid bevat geen beleidsregel over de situatie waarin voor een dak- of thuisloze woonlasten ontbreken. Daarom heeft het college analoge toepassing gegeven aan artikel 10.1 van de Beleidsregels. Hierin is bepaald in dat de bijstandsnorm met 10 % van de gehuwdennorm wordt verlaagd, indien een woning wordt bewoond waaraan geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn. Ingevolge artikel 12.1 van de Beleidsregels kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de Beleidsregels indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode geen eigen woning had en dus ook geen kosten van het aanhouden van een woning behoefde te maken. Daarmee was het college in beginsel bevoegd om met toepassing van artikel 27 van de PW de norm voor appellante lager vast te stellen. De opvang die het Leger des Heils verstrekt, voorziet niet alleen in onderdak: appellante had daardoor ook recht op drie maaltijden per dag, het wassen van kleding en het gebruik van computers. De eigen bijdrage die appellante daarvoor betaalde kan daarom niet volledig met woonkosten worden gelijkgesteld. Dit betekent dat het college vanwege die eigen bijdrage niet hoefde af te zien van verlaging.

4.5.

Voor de vraag of het college een verlaging van 10% mocht toepassen, is het volgende van belang. Appellante hield met de in geding zijnde verlaging van bijstand en na afdracht van de eigen bijdrage een vrij besteedbaar bedrag over van € 448,46 per maand. Dat is – ter vergelijking – aanzienlijk meer dan het maandbedrag van € 311,17 aan bijstand voor een alleenstaande bij verblijf in een inrichting op grond van artikel 23 van de PW . Deze laatste norm beoogt te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, voor zover daarin niet door opvang in die inrichting is voorzien. Die opvang in een inrichting lijkt wat betreft de verstrekte voorzieningen op de opvang die het Leger des Heils bood. De stelling van appellante dat zij ondanks dit hogere vrij besteedbare bedrag substantiële algemeen noodzakelijke kosten van bestaan had, waarin zij niet kon voorzien, heeft zij op geen enkele wijze geconcretiseerd. De Raad heeft appellante gevraagd schriftelijk te onderbouwen in welk opzicht en in welke mate de verstrekte bijstand in dit concrete geval onvoldoende was. Deze schriftelijke onderbouwing is niet verstrekt. Deze onderbouwing is vervolgens bij de oproep voor de zitting uitdrukkelijk als te bespreken onderwerp genoemd. Aan het niet geven van de schriftelijke onderbouwing en het niet verschijnen van appellante in persoon om hierover inlichtingen te verschaffen – nu de gemachtigde deze gegevens ook niet heeft kunnen verstrekken – kent de Raad op voet van artikel van artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de betekenis toe dat deze kosten, waarin appellante niet kon voorzien, er in de periode in geding niet zijn geweest. Dit leidt tot het oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de hardheidsclausule van artikel 12.1 van de Beleidsregels moest toepassen of met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de (analoge) toepassing van zijn beleidsregels had moeten afwijken en de norm met minder dan 10% had moeten verlagen.

4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.B. Beerens


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature