< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op minder dan 35%. Het besluit is niet op juiste wijze bekendgemaakt. Proceskosten en vergoeding griffierecht.

Uitspraak



17 5226 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2017, 16/5897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.D. Bloemsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Namens appellant is mr. Bloemsma verschenen, vergezeld door S. Koopman, mede-bewindvoerder van appellant. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het onderzoek heropend na de zitting.

Appellant heeft bij brieven van 13 maart 2018 en 14 maart 2018 gereageerd op een vraagstelling van de Raad en nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Namens appellant is mr. Bloemsma verschenen, vergezeld door S. Koopman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend tot het achterwege laten van een nadere zitting. Daarna heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als vrachtwagen-/buschauffeur voor gemiddeld 34,85 uur

per week. Op 10 september 2007 heeft appellant zich ziek gemeld met rugklachten. Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 21 oktober 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100% en het einde van de loongerelateerde periode op 7 augustus 2011. Vanaf 7 augustus 2011 is appellant in aanmerking gebracht voor een WGA‑loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft het Uwv naar aanleiding van een herbeoordeling

de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant met ingang van 2 februari 2016 beëindigd, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op minder dan 35%. Hieraan ligt een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 december 2015 is bij beslissing op

bezwaar van 28 juli 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond

verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, met veroordeling van het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant het bezwaarschrift te laat heeft ingediend en dat niet is gebleken dat de te late indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dit heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het Uwv het bezwaar van appellant ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank het bezwaar ten

onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant heeft de Raad verzocht om de zaak niet terug te wijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling en een beoordeling van de beroepsgronden die appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de medische herbeoordeling in november 2015 meer beperkingen had dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen. Appellant heeft, ter onderbouwing van zijn standpunt, een medisch rapport ingebracht van bedrijfsarts De Vries van 14 oktober 2016.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep erkend dat het besluit van 1 december 2015 niet op de juiste wijze is bekend gemaakt, omdat het rond die datum uitsluitend is toegezonden aan appellant, terwijl het Uwv ermee bekend was dat mr. P.J.H. Koene, notaris, kantoorhoudende te Vriezeveen, bewindvoerder is van appellant en dat post van appellant naar de bewindvoerder moet worden gestuurd. Het Uwv heeft gevraagd het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond te verklaren, onder verwijzing naar rapporten van een arts van het Uwv van 30 maart 2017 en van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 oktober 2018.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb van gt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.2.

Zoals door het Uwv is erkend, is de toezending aan appellant van het besluit van 1 december 2015 geen bekendmaking in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, omdat het besluit van 1 december 2015 rond die datum uitsluitend naar het huisadres van appellant is gestuurd, terwijl het Uwv ermee bekend was dat post aan appellant aan de bewindvoerder moest worden toegezonden. De bezwaartermijn heeft dus geen aanvang genomen op 2 december 2015.

4.3.

De bewindvoerder heeft, nadat hij door appellant in kennis was gesteld van het besluit van 1 december 2015, bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 11 januari 2016. Dit betekent dat het door het Uwv op 14 januari 2016 ontvangen bezwaarschrift tijdig is ingediend en dat het bezwaar ontvankelijk is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd, voor zover aangevochten.

4.4.

De Raad is uitdrukkelijk verzocht de zaak zonder terugwijzing af te doen. Partijen hebben in hoger beroep hun standpunten over het bestreden besluit in voldoende mate naar voren kunnen brengen. Het beroep tegen het bestreden besluit zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.

4.5.

Tussen partijen is in geschil of appellant op de in geding zijnde datum, 2 februari 2016, meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen.

4.6.

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Een arts van het Uwv heeft appellant op 24 september 2015 lichamelijk onderzocht. De door appellant naar voren gebrachte klachten en de informatie van de behandelend sector, waaronder informatie van de huisarts van appellant en een brief van orthopedisch chirurg Van Loon, zijn door de arts betrokken bij de beoordeling. Het medisch oordeel van de arts is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. Vervolgens heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht en in bezwaar overgelegde gegevens bij de beoordeling betrokken.

4.7.1.

De arts van het Uwv heeft, gelet op de beschikbare medische informatie en bevindingen van door hem verricht lichamelijk onderzoek aan onder meer de rug van appellant, geconcludeerd dat er geen medische reden is om appellant volledig arbeidsongeschikt te achten. Wel is de rug van appellant beperkt belastbaar. Daarbij is meegewogen dat de orthopedisch chirurg heeft gemeld dat appellant is gezien vanwege aanslepende

lumbo-ischialgische klachten op basis van pseudoarthrose L3-L4, waarvoor op 5 november 2013 een operatieve decompressie van L2-3 en L3-4 heeft plaatsgevonden, met herplaatsing en vernieuwing van niet goed geplaatste cages. Postoperatief ging het vrij goed en er is geen verdere nacontrole geweest. De arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 november 2015 opgesteld.

4.7.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant niet verdergaand beperkt geacht. Een door appellant ingebrachte brief van 29 juni 2016 van dr. med. Dörfler heeft daartoe geen aanleiding gegeven, omdat de daarin opgenomen constatering dat appellant lichamelijk niet belastbaar zou zijn niet medisch onderbouwd is en gelet op de Nederlandse behandelrichtlijnen niet goed te plaatsen is. De verzekeringsarts bezwaar heeft erop gewezen dat bij degeneratieve afwijkingen van de wervelkolom, zoals die bij appellant aanwezig zijn, fysieke inspanning van groot belang is om de conditie en de spierkracht voldoende te trainen, zodat de stabiliteit van de wervelkolom en de functie zo goed mogelijk bewaard worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts toegelicht dat de arts van het Uwv in de FML uitgebreide beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van de rugbelastbaarheid van appellant, welke beperkingen volgens het verzekeringsgeneeskundige protocol rugklachten passen bij de aan spondylose toe te schrijven klachten. Daarnaast is in de FML rekening gehouden met de spanningsklachten, psychosociale problemen en medicijngebruik van appellant.

4.7.3.

Er wordt geen aanleiding gezien de naar behoren gemotiveerde standpunten van de artsen van het Uwv voor onjuist te houden.

4.8.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 31 oktober 2018 ook inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom het in hoger beroep ingebrachte rapport van bedrijfsarts De Vries van 14 oktober 2016 geen aanleiding geeft voor een ander standpunt over de beperkingen van appellant op de in geding zijnde datum 2 februari 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende toegelicht dat de conclusies van deze bedrijfsarts zijn gebaseerd op de subjectieve ervaring van appellant en dat de bedrijfsarts geen medische onderbouwing heeft gegeven voor de door hem aangewezen geachte urenbeperking. Uit het rapport van de bedrijfsarts valt af te leiden dat de conclusie dat de beperkingen voor staan en zitten in de FML te licht zijn, is gebaseerd op de visie van appellant op zijn mogelijkheden en op een observatie van appellant. Verder is de onderbouwing die de bedrijfsarts heeft gegeven voor de urenbeperking gelegen in de door appellant genoemde behoefte aan extra herstel door rust op de werkdagen.

4.9.

Dat een herbeoordeling in 2017 heeft geleid tot het aannemen van meer beperkingen bij appellant leidt niet tot een ander oordeel, omdat bij die beoordeling na lichamelijk onderzoek is vastgesteld dat de problematiek van appellant is toegenomen ten opzichte van de voorliggende beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in het onder 4.8 genoemde rapport terecht op gewezen dat deze herbeoordeling ruim een jaar na de datum in geding heeft plaatsgevonden.

4.10.

Hieruit volgt dat in wat tegen de medische grondslag van het bestreden besluit is aangevoerd geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat

dat het Uwv in de voorliggende FML onvoldoende beperkingen heeft opgenomen.

4.11.

Uitgaande van de juistheid van deze FML heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant op de datum in geding in staat moest worden geacht om de voor hem geselecteerde functies te vervullen. De belasting van deze functies is in overeenstemming met de door de artsen van het Uwv vastgestelde mogelijkheden en beperkingen.

4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover aangevochten. Uit 4.4 tot en met 4.11 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond zal worden verklaard.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze

kosten worden begroot op € 1.792,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De door appellant verzochte vergoeding van kosten voor een meegebrachte getuige/deskundige, worden afgewezen. Appellant heeft de bewindvoerder niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid van de Awb als getuige of deskundige ter zitting aangekondigd en om die reden is de bewindvoerder ook niet als getuige of deskundige gehoord ter zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2016 ongegrond;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.792,-;

bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2019.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) L. Boersma

VC

» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature