< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening, terugvordering en oplegging boete in verband met huwelijk en stortingen.

Uitspraak



18 953 PW

Datum uitspraak: 17 december 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 januari 2018, 17/1103 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.J.M. Zuidam.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, afkomstig uit Bosnië, ontving vanaf 20 mei 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant is op 30 maart 2016 gehuwd met X. Naar aanleiding van dit huwelijk hebben medewerkers van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juli 2016.

1.2.

Uit het onderzoek is gebleken dat X, die ook afkomstig is uit Bosnië, in Bosnië is blijven wonen en appellant in [woonplaats] is blijven wonen. Verder is uit de door appellant overgelegde bankafschriften gebleken dat op zijn bankrekening van juli 2014 tot en met april 2016 kasstortingen hebben plaatsgevonden tot een bedrag van € 8.805,80.

1.2.

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft het college de bijstand met ingang van 30 maart 2016 herzien naar 50% van de norm voor gehuwden.

1.3.

Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft het college de bijstand over de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 april 2016 herzien en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.859,22 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 28 september 2016 heeft het college appellant een boete opgelegd van € 840,-.

1.5.

Bij besluit van 18 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 juli 2016, 5 augustus 2016 en 28 september 2016 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft vanaf 30 maart 2016 een niet-rechthebbende partner die in het buitenland verblijft en waarvan appellant niet duurzaam gescheiden leeft. Daarom dient sinds het huwelijk met toepassing van artikel 24 van de PW bijstand te worden verleend ter hoogte van 50% van de norm voor gehuwden. Voorts hebben in de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 april 2016 kasstortingen op de bankrekening van appellant plaatsgevonden. Omdat appellant hiervan niet onverwijld mededeling heeft gedaan aan het college, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Die kasstortingen moeten als middelen worden aangemerkt en op de verleende bijstand in mindering worden gebracht. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De schending van de inlichtingenverplichting door appellant met betrekking tot de kasstortingen leidt ook tot het opleggen van een boete, waarbij het college uitgaat van normale verwijtbaarheid en een fictieve draagkracht van 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening in verband met het huwelijk

4.1.

In dit geding moet eerst de vraag beantwoord worden of appellant op en na 30 maart 2016 duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO6231), kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben - al dan niet op termijn - een echtelijke samenleving aan te gaan, maar dat niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Ten slotte volgt uit vaste rechtspraak eveneens dat echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932).

4.2.

Anders dan appellant heeft betoogd, is in zijn situatie geen sprake van duurzaam gescheiden leven van X. X komt appellant ongeveer elke twee maanden gedurende ongeveer een maand bezoeken. Ook als X niet bij appellant verblijft, hebben zij dagelijks contact met elkaar. Appellant heeft verklaard dat hij met X is gehuwd met de intentie om in de toekomst met haar in Nederland te gaan samenwonen. Zijn financiële situatie staat daaraan vooralsnog in de weg. Hij steunt haar in financieel opzicht voor zover dat mogelijk is. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt niet ondubbelzinnig dat appellant en X een leven leiden als waren zij ongehuwd.

Herziening in verband met stortingen

4.3.

Vervolgens is aan de orde de herziening van de bijstand over de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 april 2016. In die periode hebben stortingen plaatsgevonden waarvan appellant geen melding heeft gemaakt aan het college. De rechtbank heeft terecht overwogen dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2946) kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de kasstortingen grotendeels afkomstig zijn van gelden die appellant zelf eerder contant heeft opgenomen van zijn rekening en op een later moment heeft teruggestort. Er is echter onvoldoende rechtstreeks verband te zien tussen de opnames en de stortingen, zowel in tijd als in omvang van de bedragen, om aannemelijk te kunnen achten dat op de rekening van appellant geen andere bedragen zijn gestort dan de bedragen die hij eerder had opgenomen. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt ook in hoger beroep geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat ook sprake is geweest van leningen die hij moet terugbetalen, is van belang dat periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - als inkomen van de bijstandontvanger worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2249).

Terugvordering

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat er dringende redenen bestaan op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. In het geval van appellant is hiervan niet gebleken. Uit de in hoger beroep overgelegde gegevens van de huisarts van appellant blijkt dat appellant aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) lijdt en dat dit invloed heeft op zijn dagelijks functioneren. Hiermee is niet aannemelijk geworden dat de terugvordering zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor appellant. De beroepsgrond dat de terugvordering tot een verslechtering van de financiële situatie van appellant zal leiden, is evenmin een dringende reden als hiervoor bedoeld. Appellant geniet bij de invordering de bescherming, of kan deze zo nodig inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Overigens is gebleken dat wegens de financiële situatie van appellant nog geen invordering heeft plaatsgevonden.

Boete

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat de opgelegde boete van € 840,- te hoog is en dat, gelet op de invloed van de PTSS op zijn functioneren, sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de overgelegde gegevens van de huisarts kan niet worden afgeleid dat appellant niet in staat was tijdig melding te maken van de als inkomsten aan te merken kasstortingen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van normale verwijtbaarheid, zodat in dit geval in beginsel een boete van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Het college heeft daarbij, gelet op vaste rechtspraak, voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellant door de hoogte van de boete te bepalen op twaalf maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm. De opgelegde boete is evenredig.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. Om die reden zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.L. Boxum en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) L.R. Daman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over duurzaam gescheiden leven.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature