< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en (mede)terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Voldoende grondslag dat appellant het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven in de woning van appellante had.

Uitspraak



18 1937 PW, 18/1938 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 17 december 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 20 maart 2018, 17/2120 en 17/2122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2019. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 28 mei 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woonde met haar kinderen op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen met appellant op het uitkeringsadres, is op 28 augustus 2014 vanuit de gemeente Smallingerland een fraudepreventieonderzoek gestart naar de woonsituatie van appellante. Er is dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd bij diverse instanties, het internet is geraadpleegd, in de periode van 23 april 2015 tot en met 8 december 2015 zijn waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres, er is buurtonderzoek gedaan en er zijn getuigen gehoord. Na een poging tot het afleggen van een huisbezoek op het uitkeringsadres op 7 december 2015, waarbij niemand opendeed, heeft daar op 9 december 2015 alsnog een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. In de woning zijn geen persoonlijke spullen van appellant aangetroffen. Op 10 december 2015 heeft appellante een verklaring afgelegd bij het college. Naar aanleiding van deze verklaring heeft het college van 1 februari 2016 tot en met 25 mei 2016 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en een buurtonderzoek ingesteld in de omgeving van dat adres. De bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 2 september 2016.

1.3.

Op 25 mei 2016 is een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dat kader zijn getuigen gehoord, foto’s gemaakt en van 12 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 waarnemingen verricht rondom het uitkeringsadres. Van 5 juli 2016 tot en met 7 juli 2016 zijn appellanten door de sociale recherche verhoord. Appellante heeft daarbij verklaringen afgelegd en ondertekend die onder meer gaan over de woonsituatie van haar en van appellant. Appellante heeft haar telefoon overgelegd aan de sociaal rechercheurs en deze hebben een afdruk gemaakt van zogenoemde WhatsApp-gesprekken tussen appellanten op 7 en 8 december 2015. Tijdens het verhoor is geconstateerd dat aan de sleutelbos van appellant de huissleutel van de woning op het uitkeringsadres zat. Op 7 juli 2016 zijn appellanten, die voor verhoor door de politie waren aangehouden, vanwege het overlijden van de vriendin van de vader van appellante vervroegd in vrijheid gesteld. De bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 augustus 2016.

1.4.

Bij besluit van 28 oktober 2016 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante per 1 januari 2015 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2016 tot een bedrag van € 21.728,67 van haar teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 28 oktober 2016 (besluit 2) heeft het college hetzelfde bedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 26 april 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd waarvan appellante ten onrechte geen mededeling heeft gedaan bij het college. Appellante was daardoor vanaf 1 juli 2015 niet een zelfstandig subject van bijstand en had dus geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2015 (de intrekkingsdatum) tot en met 28 oktober 2016 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden op verschillende adressen ingeschreven. Toch kunnen zij op één van die adressen gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben gehad (zie het arrest van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556, en de uitspraak van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370). Als twee personen ieder over een woning beschikken, moet voor ieder afzonderlijk worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf is in die woning waar het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de betrokkene is.

4.5.

Appellanten hebben zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat zij in de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres.

4.6.

Zij hebben in dit verband aangevoerd dat het college het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de door appellante afgelegde verklaringen en de daaropvolgende onderzoeksbevindingen. Appellante heeft ter toelichting op deze beroepsgrond gesteld dat zij de onder 1.3 bedoelde verklaringen niet in vrijheid en onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd en ondertekend. De verklaringen zijn volgens haar inconsistent en niet in vraag/antwoord-vorm opgeschreven. Verder zijn haar woorden in de mond gelegd. Er is geen rekening mee gehouden dat zij haar kinderen donderdagmiddag 7 juli 2016 van school moest halen en dat appellante hevige emoties had, doordat de vriendin van haar vader op sterven lag. Noodzakelijke medicatie heeft zij niet gekregen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft appellante medische informatie van de huisarts ingebracht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.6.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2002) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking, ontkenning of nuancering van die verklaring weinig betekenis, behoudens bijzondere omstandigheden die maken dat op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Geen aanleiding bestaat in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. De onder 1.3 bedoelde verklaringen zijn voldoende gedetailleerd, consistent en in lijn met de eerdere door appellante afgelegde en in vraag/antwoord-vorm opgemaakte verklaring van 10 december 2015. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaringen van 5, 6 en 7 juli 2016 in essentie geen juiste weergave bevatten van wat zij tegenover de sociaal-rechercheurs heeft verklaard. De verslagen zijn aan appellante voorgelezen en daarna door haar per pagina ondertekend. Indien de weergave niet juist was, had appellante dat op dat moment of daags daarna kenbaar kunnen maken. Zij heeft dit echter pas in de bezwaarfase gedaan. De enkele omstandigheid dat de bewoordingen in de proces-verbalen niet overeenkomen met wat appellante precies heeft verklaard, doet aan het voorgaande niet af. Ook verder zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van de stelling van appellante, dat zij de verklaringen niet in vrijheid of onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Integendeel, de eerste verklaring is in het bijzijn van een advocaat afgelegd en bij de volgende verklaringen heeft appellante van het recht op bijstand van een advocaat afgezien. Verder is, zoals blijkt uit bijlage II bij het rapport van het strafrechtelijk onderzoek, juist uitdrukkelijk rekening gehouden met het moment waarop appellante de kinderen uit school moest halen en met de omstandigheid dat het overlijden van de vriendin van de vader van appellante op korte termijn werd verwacht. Tot slot blijkt uit niets dat appellante om medicatie heeft gevraagd of dat zij medicatie nodig had, ook niet uit de ingebrachte informatie van de huisarts.

4.7.

Gelet op wat hiervoor is overwogen mocht het college uitgaan van de juistheid van de door appellante afgelegde verklaringen.

4.8.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat zij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.8.1.

Appellante heeft in haar verklaring van 5 juli 2016 een beschrijving gegeven van de relatie met appellant, die erop neerkomt dat zij bijna de hele week samen waren. Op 6 juli 2017 in de ochtend heeft appellante het volgende verklaard: “U vraagt nu specifiek door op de omvang van het verblijf van [voornaam] bij mij. U geeft aan dat er in verschillende perioden waarnemingen of observaties zijn gedaan en dat [voornaam] in die perioden zowel op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag bij mij in Drachten wordt gezien. Ik heb nu begrepen dat u naar mijn woonsituatie hebt gekeken en ik ontken ook niet dat [voornaam] veel bij mij is. Het klopt dat [voornaam] en ik in onze vrije tijd in hoofdzaak bij elkaar zijn. Volgens mij heb ik dat verhaal ook wel verteld aan de gemeente toen ik daar een verklaring af moest leggen. Ik heb niet gezegd dat ik 7 nachten met [voornaam] slaap maar feitelijk is dat wel zo. Het bijzondere ervan is dat [voornaam] en ik samen maximaal 3 tot 4 nachten in de week samen slapen in Drachten maar ik die andere 3 tot 4 nachten samen met hem slaap in [woonplaats] of als de camping open is, op de camping.”Op 6 juli 2017 in de middag heeft appellante het volgende verklaard: “U confronteert mij nu met mijn WhatsApp-gesprekken in december 2015 toen de gemeente bij mij voor mijn deur stond. Ik geef nu toe dat ik willens en wetens wist dat ik fout handelde en dat ik niet goed bezig was met de uitkering en mijn samenzijn met [voornaam] . Ik wilde [voornaam] niet kwijt en ook mijn kinderen niet kwijt. Vanaf januari 2015 zijn [voornaam] en ik hoofdzakelijk bij elkaar en dat is een keer twee weken en een keer een week onderbroken geweest. Ik wil morgen uitleggen waarom ik dit verzwegen heb voor de gemeente.” Op 7 juli 2016 heeft appellante nog eens bevestigd dat zij nu anderhalf jaar samenwoont met appellant.

4.8.2.

Appellant heeft op 5 en 6 juli 2016 verklaard dat hij een kamer heeft in het huis van zijn ouders in [woonplaats] en daar zijn hoofdverblijf heeft, maar een postadres heeft bij zijn broer. Zijn vader heeft verklaard dat hij sinds februari 2016 een uitkering ontvangt. Om te voorkomen dat die uitkering gekort zou worden is appellant verhuisd naar zijn broer. De vader neemt aan dat appellant iedere nacht bij zijn broer slaapt. De broer heeft verklaard dat appellant sinds een aantal maanden bij hem ingeschreven staat, geen huur betaalt, geen sleutel van de woning heeft, nooit mee-eet, maar wel drie à vier nachten per week bij hem slaapt.

4.8.3.

Appellanten hebben gesteld dat uit deze verklaringen van appellant, zijn vader en zijn broer niet volgt, dat appellant bij appellante woonde. Die stelling is op zichzelf niet onjuist, maar appellanten hebben met die verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat appellant bij zijn ouders dan wel bij zijn broer zijn hoofdverblijf had. Die verklaringen stroken niet met de verklaring van appellante, dat zij met appellant drie tot vier nachten per week in [woonplaats] verbleef.

4.8.4.

Het betoog van appellanten dat appellant voor zijn werk regelmatig in het buitenland was, en daarom niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres kon hebben, treft geen doel. Voor de bepaling van het hoofdverblijf is van betekenis vanaf welk adres appellant naar het buitenland vertrok en naar welk adres hij weer terugging. De enkele omstandigheid dat hij veel in het buitenland verbleef brengt daarom niet mee dat hij niet op het op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had.

4.8.5.

Naast de verklaringen van appellante bieden ook de waarnemingen steun aan het standpunt van het college dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant op het uitkeringsadres lag. Uit de waarnemingen komt naar voren, dat appellant en/of zijn auto, een zwarte BMW met kenteken [kenteken] (BMW), op uiteenlopende tijdstippen met grote regelmaat bij het uitkeringsadres zijn aangetroffen. Dat de BMW en de auto van appellante er in de weekeinden vaak niet waren klopt met de verklaring van appellante dat zij in de weekenden vaak samen op de camping of in [woonplaats] waren.

4.8.6.

Ook de bevindingen van het buurtonderzoek ondersteunen de verklaringen van appellante. Uit de verklaringen van de negen buurtbewoners die als getuige zijn gehoord is af te leiden dat appellant vrijwel altijd op het uitkeringsadres aanwezig was en daar aankwam vanuit zijn werk. De bewoners kennen appellanten bij naam als bewoners van het uitkeringsadres. Een aantal bewoners heeft verklaard dat al meer dan een jaar de BMW van appellant in de buurt geparkeerd staat, waarin afwisselend een vrouw met kinderen, een man en vrouw samen en een man alleen rijden. Zo heeft een bewoner, die dagelijks met de hond langs het uitkeringsadres loopt, onder meer verklaard dat de BMW, de bedrijfsauto van appellant en de auto van appellante langer dan een jaar wisselend bij het uitkeringsadres en op de parkeerplaats staan, de vrouw en de man wisselend in de BMW rijden. Deze bewoner heeft appellanten, na het zien van een foto, als bestuurders van de BMW herkend. De verklaringen van de buurtbewoners zijn voldoende concreet en specifiek en komen voort uit eigen waarneming, doordat zij rondom het uitkeringsadres wonen. Dat de meeste verklaringen anoniem zijn opgenomen, maakt de bewijskracht in dit geval niet minder, nu bij het college bekend is wie de verklaringen heeft afgelegd en de verklaringen zijn voorgelezen aan de getuigen, die met de weergave hebben ingestemd.

4.8.7.

Anders dan appellanten menen, vormen de verbruiksgegevens van de nutsvoorzieningen, die niet wijzen op het verblijf van een extra persoon op het uitkeringsadres, geen contra-indicatie voor het aannemen van het hoofdverblijf van appellant op het uitkeringsadres. Uit de verklaringen van appellante volgt namelijk dat zij in de vakanties en weekenden veel op de camping of in [woonplaats] waren, waardoor een lager verbruik dan gemiddeld verwacht mocht worden.

4.8.8.

Ook het gegeven dat tijdens het onaangekondigde huisbezoek van 9 december 2015 geen persoonlijke spullen van appellant zijn aangetroffen op het uitkeringsadres, betekent niet dat appellant zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Uit de WhatsApp-gesprekken van 7 december 2015 volgt dat appellante tijdens het eerste, mislukte, huisbezoek op 7 december 2015 wel thuis was, maar deed alsof zij niet thuis was. Vóór het volgende huisbezoek heeft zij gelegenheid gehad om de feitelijke situatie aan te passen aan de door haar gestelde woon- en leefsituatie.

4.9.

Wat appellanten verder naar voren hebben gebracht leidt niet tot een ander oordeel over deze beroepsgrond. Ter toelichting geldt het volgende.

4.9.1.

De door appellanten overgelegde getuigenverklaringen leiden niet tot een ander oordeel, omdat uit de verklaringen niet blijkt op welke periode deze betrekking hebben. De achteraf opgestelde verklaring van de moeder van appellante van 6 juni 2017 en de ongedateerde verklaringen van de kinderen en de ouders van appellant zijn bovendien onvoldoende objectief vanwege de familieverhouding. Verder zijn de verklaringen van de familieleden niet te rijmen met de verklaringen van appellanten. Ook de verklaring van 9 juni 2017 van de overbuurman heeft niet de waarde die appellanten daaraan hechten. De verklaring is achteraf opgesteld, niet onderbouwd met verifieerbare gegevens en betreft bovendien niet de hier te beoordelen periode. Wat appellanten hebben aangevoerd over de verklaringen van de ex-partner van appellante is niet van belang, alleen al niet omdat het bestreden besluit niet mede op zijn verklaring is gebaseerd.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat appellant vanaf 1 januari 2015 het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven en dus zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat appellanten in de vakanties en weekenden samen op de camping waren en in verband met de omgangsregeling van appellant met zijn kinderen ook wel in [woonplaats] waren, maakt dit niet anders.

4.11.

Ter zitting hebben appellanten te kennen gegeven dat zij, wanneer het standpunt van het college dat appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had juist wordt geacht, niet betwisten dat aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. Het tweede criterium blijft om die reden hier verder onbesproken.

4.12.

Wat onder 4.6 tot en met 4.11 is overwogen betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden.

4.13.

Appellanten hebben aangevoerd, dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat appellante de gezamenlijke huishouding niet heeft gemeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.13.1.Ter zitting hebben appellanten in dit verband gewezen op de verklaring van 27 juni 2016 van de voormalig medewerker gebiedsteam gemeente Smallingerland en de onder meer aan hem gerichte e-mailberichten van 17 november 2014 en 4 september 2015. Volgens appellanten volgt daaruit dat appellante haar relatie met appellant continu aan het college heeft doorgegeven.

4.13.2.

Het enkele feit dat appellante een aantal keer tegenover deze medewerker heeft bevestigd dat zij en appellant serieuze plannen hadden om te gaan samenwonen maar dat dit nog niet was gebeurd, leidt niet tot de conclusie dat zij het college op enig moment heeft geïnformeerd over het bestaan van een gezamenlijke huishouding. De medewerker heeft appellante juist naar aanleiding daarvan op haar informatieplicht tegenover het college gewezen.

4.14.

Appellante heeft, door geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding met appellant, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het college was daardoor verplicht om de bijstand van appellante in te trekken.

Conclusie

4.15.

Uit 4.1 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en A.J. Schaap en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) L.R. Daman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature