< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Toepassing artikel 8:31 Awb . Aan het niet verschijnen op zitting en niet reageren op brieven van de Raad kent de Raad de betekenis toe dat appellant geen belang meer heeft bij de procedure. Hoger beroep en beroep niet ontvankelijk.

Uitspraak



15 728 WWB, 19/4640 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 december 2014, 14/1918 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling van vergoeding van schade.

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)

Datum uitspraak: 19 november 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Houben, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. Houben heeft zich aan de zaak onttrokken.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken, waaronder een besluit van 13 februari 2015, overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2016. Appellant, daartoe opgeroepen, is niet verschenen. Het college, eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.P.J. Hecker.

Het onderzoek is heropend om appellant nogmaals in de gelegenheid te stellen zich over de zaak en in het bijzonder over zijn procesbelang uit te laten. Daarbij heeft de meervoudige kamer de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Bij verscheidene (aangetekende) brieven, laatstelijk van 23 april 2019, heeft de Raad vragen gesteld aan appellant, die hij onbeantwoord heeft gelaten.

Appellant heeft vervolgens niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord. Het college heeft verklaard niet van dit recht te willen gebruikmaken, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij besluit van 14 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2013, heeft het college de bijstand met ingang van 1 augustus 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 31 oktober 2012 tot een bedrag van € 1.929,54 van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij uitspraak van 24 maart 2014 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 maart 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 14 december 2012.

1.4.

Bij besluit van 8 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 12 maart 2013 herroepen en bepaald dat de bijstand over de periode van 1 augustus 2012 tot 13 februari 2014, de dag met ingang waarvan appellant weer bijstand was verleend, zo spoedig mogelijk wordt nabetaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover daarbij geen wettelijke rente is toegekend over het na te betalen bedrag, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het college opgedragen een besluit te nemen over de wettelijke rente en het verzoek om veroordeling van schadevergoeding (voor het overige) afgewezen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank zijn verzoek om veroordeling tot schadevergoeding niet volledig heeft toegewezen.

3.2.

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft het college besloten de wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 13 februari 2015 (nader besluit) wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb , mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

4.3.

Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de bestuursrechter, indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

4.4.

Bij de oproep van appellant voor de zitting is appellant erop gewezen dat niet verschijnen nadelige gevolgen voor zijn zaak kan hebben. Bij aangetekende en per gewone post verzonden brieven van 26 maart 2019 en 23 april 2019 heeft de Raad appellant gewezen op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb en hem meegedeeld dat de Raad ervan uit zal gaan dat appellant geen belang meer bij deze zaak en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding heeft, als hij niet reageert. De (aangetekende) brieven heeft de Raad naar het adres van appellant gestuurd zoals opgenomen in de Basisregistratie personen en vervolgens retour ontvangen.

4.5.

De gemachtigde van appellant heeft in de aanvullende gronden in hoger beroep meegedeeld dat hij van appellant geen nadere stukken heeft ontvangen om het hoger beroep verder te onderbouwen. Verder heeft de gemachtigde verwezen naar de in bezwaar en beroep ingediende gronden en overgelegde stukken. In het licht hiervan kent de Raad aan het niet verschijnen van appellant ter zitting en het niet reageren op de aangetekende en niet‑aangetekende brieven de betekenis toe dat appellant geen belang meer heeft bij deze procedure. Dit betekent dat het hoger beroep en het beroep tegen het nader besluit niet‑ontvankelijk verklaard moeten worden en het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 2015 niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

md


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature