< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante in de periode van mei tot en met augustus 2017 geen opgedragen (eigen of passende) arbeid of werkzaamheden in het kader van re-integratie heeft verricht en evenmin opgedragen scholing in het kader van re-integratie heeft gevolgd. Appellante heeft dan ook geen recht op doorbetaling van haar volledige salaris over uren als bedoeld in artikel 7:3, zesde lid, van de CAR /UWO, noch op een extra percentage van 5%. Het hoger beroep slaagt niet.

Uitspraak



19 368 AW, 19/390 AW-PV

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2019, 17/5940 en 18/5770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante)

college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal (college)

Zitting heeft: C.H. Bangma als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: F. Demiroğlu

Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.G. Kerkhof, J.W. Looijen en I. Hallengraeff.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Op de bezoldiging van appellante in de maanden mei en juni 2017 zijn inhoudingen wegens ziekte toegepast. Deze inhoudingen zijn, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van

27 september 2017 (bestreden besluit 1). Op de bezoldiging van appellante in de maanden juli en augustus 2017 zijn opnieuw inhoudingen wegens ziekte toegepast. Deze inhoudingen zijn, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2018 (bestreden besluit 2).

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante geen recht heeft op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelagen, omdat geen sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 7:3, zesde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling /Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). In de periode van mei tot en met augustus 2017 was appellante volledig arbeidsongeschikt en heeft zij geen

re-integratieactiviteiten of werkzaamheden verricht.

Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante in de periode van mei tot en met augustus 2017 geen opgedragen (eigen of passende) arbeid of werkzaamheden in het kader van re-integratie heeft verricht en evenmin opgedragen scholing in het kader van

re-integratie heeft gevolgd. Appellante heeft dan ook geen recht op doorbetaling van haar volledige salaris over uren als bedoeld in artikel 7:3, zesde lid, van de CAR /UWO, noch op een extra percentage van 5%. De gronden die appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht brengen geen verandering in deze conclusie, nu deze gronden geen betrekking hebben op het toetsingskader dat voortvloeit uit artikel 7:3, zesde lid, van de CAR /UWO.

Het hoger beroep slaagt niet.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) F. Demiroğlu (getekend) C.H. Bangma


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature