< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Geen melding gemaakt van WGA-uitkering en TW van het Uwv. Geen verjaring. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Beroep op artikel 3 IVRK slaagt niet.

Uitspraak



18 4153 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 15 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2018, 18/758 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft binnen de gestelde termijn verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Het dagelijks bestuur heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 14 november 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij brieven van 10 september 2013 en 6 november 2013 heeft het dagelijks bestuur aan appellante onder andere verzocht om kopieën van alle correspondentie van het Uwv met betrekking tot een door appellante ingediend bezwaar tegen de afwijzing van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (bezwaarprocedure). Appellante heeft die gegevens niet verstrekt, waarna het dagelijks bestuur het recht op bijstand per 15 november 2013 heeft opgeschort en later ook per die datum de bijstand heeft ingetrokken.

1.3.

In het kader van een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag heeft een consulent inkomensondersteuning van Werk en Inkomen Lekstroom op 31 augustus 2017 geconstateerd dat appellante over de periode 1 juni 2013 tot en met 14 november 2013 betalingen heeft ontvangen van het Uwv en aan appellante gelet daarop teveel bijstand is uitbetaald.

1.4.

Bij besluit van 15 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2018 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand over de periode van 1 juni 2013 tot en met 14 november 2013 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.063,65 van appellante teruggevorderd. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het dagelijks bestuur geen melding te maken van de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WGA-uitkering) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (toeslag). Hierdoor heeft appellante een inkomen gehad dat hoger was dan de voor haar toepasselijke norm en heeft zij ten onrechte bijstand ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante over de periode van 1 juni 2013 tot en met 14 november 2013 naast haar bijstandsuitkering een WGA-uitkering en een toeslag heeft ontvangen. De WGA-uitkering en de toeslag bedroegen samen meer dan de voor appellante geldende bijstandsnorm.

4.2.

Appellante heeft de toekenning van de WGA-uitkering en de toeslag niet gemeld bij het dagelijks bestuur. Zij heeft daarmee haar inlichtingenverplichting geschonden. De omstandigheid dat appellante ervan uitging dat het Uwv alles zou regelen en dat het dagelijks bestuur op de hoogte was van de ontvangst van de WGA-uitkering en de toeslag, komt voor haar rekening en risico. Appellante heeft immers een eigen verplichting om onverwijld en uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op haar recht op bijstand. Appellante had de WGA-uitkering en de toeslag moeten melden. Appellante stelt weliswaar dat zij heeft gemeld dat zij mogelijk een WGA-uitkering en een toeslag zou ontvangen, maar kon daarmee niet volstaan. Dit betrof ten tijde van de melding een onzekere toekomstige gebeurtenis. Appellante heeft bovendien, gevraagd naar het verloop van de bezwaarprocedure, geen inlichtingen verstrekt aan het dagelijks bestuur. Appellante had de daarop volgende toekenning van de WGA-uitkering en de toeslag aan het dagelijks bestuur moeten melden. De telefonische mededeling aan het Uwv, inhoudende dat zij een dubbele uitkering ontving, geldt niet als een melding aan het dagelijks bestuur.

4.3.

Appellante heeft als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand ontvangen over de periode van 1 juni 2013 tot en met 14 november 2013. Het dagelijks bestuur was gehouden de bijstand in te trekken. Anders dan appellante stelt, is de bevoegdheid de bijstand in te trekken en terug te vorderen niet verjaard. Omdat in de Participatiewet niet is geregeld binnen welke termijn een intrekkings- of terugvorderingsbesluit moet worden genomen, moet voor de verjaring daarvan aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (vergelijk de uitspraak van 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1871). Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot intrekking of terugvordering van bijstand aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent intrekking en terugvordering in de rede ligt. Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat het dagelijks bestuur – zoals appellante stelt – in mei 2013 op de hoogte is geraakt van het feit dat appellante een WGA-uitkering en een toeslag zou krijgen en daarmee voor het dagelijks bestuur ook voldoende duidelijk was dat een besluit omtrent intrekking en terugvordering in de rede lag, is van verjaring op 15 november 2017 nog geen sprake.

4.4.

Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellante heeft niet gesteld dat enige toezegging is gedaan. Reeds om die reden slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

4.5.

Appellante heeft tot slot een beroep gedaan op – zo begrijpt de Raad – artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en daarbij gewezen op het feit dat onvoldoende rekenschap is gegeven van het feit dat zij en haar kind beneden de armoedegrens leven. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter alleen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich bij de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van appellante. Appellante heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de belangen van haar kind door het dagelijks bestuur niet in acht zijn genomen. Het beroep van appellante op schending van artikel 3 van het IVRK slaagt daarom niet.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) V.Y. van Almelo


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature