< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aanvraag buiten behandeling gelaten. Gevraagde bankafschriften niet volledig ingeleverd. Zeer hoog saldo op bankafschrift vijf jaar vóór aanvraag rechtvaardigt opvragen bankgegevens over deze periode van (meer) dan vijf jaar.

Uitspraak



18 593 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 22 oktober 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2017, 17/3082 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.F. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juli 2018 heeft mr. R. Wouters, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van Es, zich gesteld als opvolgend gemachtigde.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wouters. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Feijtel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft voorafgaand aan de liquidatie van haar vennootschappen in verband met het beëindigen van haar werkzaamheden als zelfstandige, op 3 oktober 2011 een bedrag van € 141.897,76 overgemaakt naar haar betaalrekening bij ING dat afkomstig was van haar pensioen BV. Dit bedrag heeft zij diezelfde dag overgemaakt naar haar spaarrekening, een ING-profijtrekening. Op 31 december 2011 bedroeg het totale saldo op de privé‑bankrekeningen van appellante € 247.067,04.

1.2.

Op 31 augustus 2016 heeft appellante een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 6 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 december 2016, heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen omdat appellante beschikte over vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. Appellante heeft tegen het besluit van 19 december 2016 geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 1 december 2016 heeft appellante opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de PW. Op het aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat zij van 2012 tot en met 2016 heeft geleefd van haar eigen vermogen.

1.4.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een medewerker intake, diagnose en schulddienstverlening van Orionis Walcheren (medewerker) appellante bij brief van 2 december 2016 uitgenodigd voor een intakegesprek op 20 december 2016 om 9.00 uur en verzocht naar die afspraak aanvullende gegevens mee te nemen, waaronder een kopie van al haar originele bankafschriften over de periode vanaf 1 januari 2012. Appellante heeft vervolgens onder meer op onderwerp geselecteerde uitdraaien van telebankieren en een selectie van bankafschriften verstrekt. Bij brief van 13 december 2016 heeft de medewerker appellante laten weten dat de verstrekte gegevens niet compleet zijn en appellante gevraagd op het gesprek van 20 december 2016 originele bankafschriften van haar ING-profijtrekening over de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2016 en vanaf 18 mei 2016 over te leggen en originele bankafschriften van haar ING-betaalrekening over de periode van 17 januari 2012 tot 24 mei 2016 en vanaf 23 september 2016. Appellante is er in de brief van 2 december 2016 op gewezen dat het recht op bijstand zonder deze gegevens niet kan worden vastgesteld en dat haar aanvraag in dat geval buiten behandeling zal worden gelaten.

1.5.

Bij besluit van 27 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellante de gevraagde bankafschriften niet volledig heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb , gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de PW bepaalt het dagelijks bestuur welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor de beoordeling of appellante verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden haar financiële situatie een essentieel gegeven is en dat appellante daarom is gehouden de voor een goede beoordeling van haar aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Daartoe behoren volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3471) alle afschriften van haar betaal- en spaarrekeningen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het feit dat het totale banksaldo van appellante op 31 december 2011 € 247.067,04 bedroeg, het opvragen van de bankafschriften vanaf 1 januari 2012 rechtvaardigt.

4.3.

Niet in geschil is dat de gevraagde bankafschriften niet zijn verstrekt binnen de in de brieven van 2 en 13 december 2016 gegeven hersteltermijn. Het feit dat de spaarrekening van appellante bij de ING van naam is veranderd, ontsloeg appellante niet van de verplichting om alle afschriften van haar betaal- en spaarrekeningen over de onder 1.4 vermelde perioden over te leggen. Appellante heeft niet onderbouwd dat zij door deze naamswijziging niet de beschikking kon krijgen over die bankafschriften. Het had op de weg van appellante gelegen het dagelijks bestuur binnen de gegeven hersteltermijn gemotiveerd om nader uitstel te vragen indien zij meer tijd nodig had voor het verkrijgen van de gevraagde gegevens dan wel het dagelijks bestuur, voorzien van bewijsstukken, ervan in kennis te stellen dat het niet mogelijk was om afschriften van haar betaal- en spaarrekeningen te verkrijgen. Dit heeft appellante nagelaten. Dat appellante, zoals zij heeft gesteld, bij haar vorige aanvraag van 31 augustus 2016 aan een medewerker van het dagelijks bestuur heeft aangeboden om via telebankieren inzage in haar bankrekeningen te geven, ontsloeg haar niet van de verplichting om bij de huidige aanvraag de gevraagde gegevens over te leggen.

4.4.

De beroepsgrond dat de verstrekte gegevens voldoende waren om het recht op bijstand te kunnen vaststellen en dat het dagelijks bestuur daarom niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen, slaagt niet. Het dagelijks bestuur heeft met de op onderwerp geselecteerde uitdraaien van telebankieren en de selectie van overgelegde bankafschriften geen volledig inzicht in de mutaties op de bankrekeningen van appellante kunnen krijgen. Omdat de bankafschriften van de betaal- en spaarrekeningen van appellante van essentieel belang zijn voor de beoordeling van haar financiële situatie, kon het dagelijks bestuur, bij het ontbreken van die afschriften, de aanvraag niet beoordelen.

4.5.

Gelet op wat hiervoor in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, was het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te stellen en heeft het college in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M.F. Wagner en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2019.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) L. Hagendijk


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature