< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Ten onrechte geen indicatie voor een zorgprofiel verleend. Aan appellante wordt een indicatie verleend voor het zorgprofiel VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging. Verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak



17 5225 WLZ-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 juni 2017, 16/3238 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

Datum uitspraak: 2 oktober 2019

Zitting hebben: L.M. Tobé als voorzitter en N.R. Docter en W.J.A.M. van Brussel als leden

Griffier: B.V.K. de Louw

Ter zitting zijn verschenen: mr. L.M.R. Kater en mr. J.E. Koedood namens CIZ

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 1 juni 2016 en herroept het besluit van 23 oktober 2015 voor zover daar geen indicatie voor een zorgprofiel is verleend;

bepaalt dat aan appellante voor de periode van 23 oktober 2015 tot 30 november 2018 ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) een indicatie wordt verleend voor het zorgprofiel VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging;

wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.878,30;

bepaalt dat CIZ aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij besluit van 23 oktober 2015 heeft CIZ bepaald dat appellante niet in aanmerking komt voor een zorgprofiel op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wlz, maar dat zij voor de periode van 23 oktober 2015 tot en met 22 juni 2016 wel in aanmerking komt voor Behandeling individueel. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft CIZ bij besluit van

1 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertegen richt zich het hoger beroep van appellante.

2. Appellante heeft inmiddels met ingang van 30 november 2018 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wlz een indicatie voor het zorgprofiel VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging. Dit staat er niet aan in de weg dat zij nog procesbelang heeft bij een beoordeling van het onderhavige hoger beroep dat betrekking heeft op de periode vanaf 23 oktober 2015. Gelet op haar beperkingen is duidelijk dat appellante in deze periode niet zonder hulp kon. Daarom is aannemelijk dat de uitkomst van deze procedure voor haar nog feitelijk betekenis kan hebben.

3. Aan de per 30 november 2018 verleende Wlz-indicatie liggen het rapport van orthopedagoog Agarbi van 30 september 2018 en de daarop gevolgde adviezen van medisch adviseur Piscaer van CIZ van 13 november 2018 en 27 november 2018 ten grondslag. Dat het rapport van Agarbi, die door appellante ook in de onderhavige procedure is ingebracht, ten tijde van het bestreden besluit nog niet bekend was doet er niet aan af dat deze informatie in deze procedure als bewijsmiddel kan gelden. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2934.

4. Met het rapport van Agarbi en de daarop gevolgde medische adviezen van Piscaer is aannemelijk geworden dat appellante ook in de periode van 23 oktober 2015 tot

30 november 2018 al voldeed aan het bepaalde in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz . Nu appellante op basis van de informatie van Agarbi en Piscaer per

30 november 2018 een Wlz-indicatie heeft voor het zorgprofiel VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging en deze indicatie door appellante niet is bestreden, heeft appellante ook in de periode van 23 oktober 2015 tot 30 november 2018 recht op deze indicatie.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 23 oktober 2015 te herroepen voor zover daar geen indicatie voor een zorgprofiel is verleend en aan appellante over de periode van 23 oktober 2015 tot 30 november 2018 een indicatie te verlenen voor het zorgprofiel VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging.

6. Het verzoek van appellante om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat nu nog niet vaststaat dat zij schade heeft geleden. Appellante zal zich tot het zorgkantoor moeten wenden voor realisering van de verleende zorg. Pas als mocht blijken dat het zorgkantoor daartoe niet overgaat kan zij CIZ verzoeken om haar schade te vergoeden.

7. Er is aanleiding om CIZ te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op een bedrag van € 2.048,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 512,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 512,- in hoger beroep) en een bedrag van € 830,30 voor de kosten van het in hoger beroep ingebrachte deskundigenrapport, totaal derhalve € 2.878,30.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) B.V.K. de Louw (getekend) L.M. Tobé

sg


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature