< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank heeft bij de beoordeling of een dwangsom moet worden opgelegd, onder verwijzing naar artikel 8:5, eerste lid, van de Awb overwogen dat tegen de brief van 3 februari 2017 geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat maar dat niettemin CAK wel uitspraak op bezwaar zal moeten doen. Hoger beroep CAK slaagt niet. De rechtbank heeft expliciet geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het opleggen van een dwangsom wegens niet‑tijdig beslissen op het bezwaar van betrokkene omdat tegen de brief van 3 februari 2017 geen bezwaar openstond. Betrokkene was hiervan op de hoogte. Hoger beroep betrokkene slaagt ook niet. CAK betaalt griffierecht.

Uitspraak



18 3629 ZVW, 18/4204 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 juni 2018, 17/2574 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

CAK

Datum uitspraak: 31 juli 2019

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Namens betrokkene heeft [naam broer] , de broer van betrokkene, hoger beroep ingesteld (18/3629).

CAK heeft eveneens hoger beroep ingesteld (18/4204).

Partijen hebben een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

CAK heeft op 20 juli 2018 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019, samen met de zaken 17/4599 ZVW, 17/6708 ZVW, 18/4205 ZVW en 18/4891 ZVW. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam broer] . CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Bakker en mr. G. van der Meer, beide werkzaam bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), en mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 25 november 2014 heeft CAK aan betrokkene bericht dat hij door zijn zorgverzekeraar Menzis is aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarom is hij vanaf december 2014 bestuursrechtelijke premie verschuldigd.

1.2.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft CAK op grond van artikel 18f, zesde lid, van de Zvw de Belastingdienst opdracht gegeven om de aan betrokkene toekomende zorgtoeslag te laten uitbetalen aan het CJIB als tegemoetkoming in de bestuursrechtelijke premie (omleiding zorgtoeslag). Voor het resterende premiebedrag zal betrokkene een acceptgiro ontvangen. Bij besluit van 7 april 2017 heeft CAK de bezwaren van betrokkene tegen dit besluit van 19 januari 2017 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij brief van 3 februari 2017 heeft CJIB namens CAK aan betrokkene een acceptgiro gestuurd met een bedrag van € 46,38 voor nog te betalen bestuursrechtelijke premie over januari 2017.

1.4.

Bij brief van 8 februari 2017 heeft betrokkene bij CJIB bezwaar gemaakt tegen de brief van 3 februari 2017.

1.5.

Bij brief van 1 mei 2017 heeft betrokkene CJIB in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 8 februari 2017.

1.6.

In reactie op de brief van 1 mei 2017 heeft CJIB aan betrokkene op 16 mei 2017 een kopie van een beslissing op bezwaar van 7 april 2017 gestuurd (zie 1.2).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen over proceskosten en griffierecht – het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard en CAK opgedragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak. Daartoe heeft zij overwogen dat CAK nog steeds niet heeft beslist op het bezwaar van betrokkene van 8 februari 2017. Het door CAK ingestuurde besluit van 7 april 2018 (lees: 2017) heeft geen betrekking op de in geding zijnde procedure. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een dwangsom op te leggen omdat op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1 van Bijlage 2 bij de Awb (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat tegen een besluit over de verschuldigdheid van bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan.

3.1.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aan CAK geen dwangsom heeft opgelegd wegens het niet‑tijdig beslissen op zijn bezwaar van 8 februari 2017.

3.2.

CAK heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank de brief van 3 februari 2017 ten onrechte heeft aangemerkt als ‘primair besluit’. Volgens CAK betreft de brief (slechts) een factuur, namelijk een aanschrijving met acceptgiro betreffende het restant van de verschuldigde premie over januari 2017 van € 46,38 (het bedrag van de bestuursrechtelijke premie na verrekening met het bedrag van de zorgtoeslag). Deze aanschrijving is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb . Voorts heeft CAK gesteld dat, gelet op het geheel van feiten en omstandigheden, het handelen van betrokkene valt te duiden als misbruik van recht. De poging om via een oneigenlijke bezwaarprocedure alsnog een dwangsom te innen duidt CAK als ongepast.

3.3.

Bij beslissing op bezwaar van 20 juli 2018 heeft CAK het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 3 februari 2017 alsnog niet‑ontvankelijk verklaard. De brief van 3 februari 2017 heeft immers geen publiekrechtelijk rechtsgevolg. CAK heeft namelijk al op een eerder moment het besluit genomen dat betrokkene bestuursrechtelijke premie verschuldigd is en wel bij besluit van 25 november 2014.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep CAK (18/4204)

4.1.

Anders dan CAK heeft aangevoerd, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak met de aanduiding van de brief van CAK van 3 februari 2017 (in rechtsoverweging 1) als ‘het primaire besluit’ niet geoordeeld dat de brief van 3 februari 2017 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb . De rechtbank heeft bij de beoordeling of een dwangsom moet worden opgelegd, onder verwijzing naar artikel 8:5 van de Awb , immers overwogen dat tegen de brief van 3 februari 2017 geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat maar dat niettemin CAK wel uitspraak op bezwaar zal moeten doen.

4.2.

Gelet hierop slaagt het hoger beroep van CAK niet.

Hoger beroep betrokkene (18/3629)

4.3.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat CAK geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar van 8 februari 2017 tegen de brief van 3 februari 2017. De beslissing op bezwaar van 20 juli 2018 die CAK ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen en waarbij CAK het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 3 februari 2017 alsnog niet‑ontvankelijk heeft verklaard, wordt in hoger beroep niet beoordeeld. Het besluit van 20 juli 2018 heeft geen betrekking op het onderdeel van de aangevallen uitspraak waartegen het hoger beroep zich richt, te weten het niet toekennen van een dwangsom.

4.4.

De rechtbank heeft expliciet geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het opleggen van een dwangsom wegens niet‑tijdig beslissen op het bezwaar van betrokkene omdat tegen de brief van 3 februari 2017 geen bezwaar openstond. De rechtbank kon tot dat oordeel komen nu bij een kennelijke niet‑ontvankelijkheid van het bezwaar geen dwangsom verschuldigd is op grond van het bepaalde in artikel 4:17, zesde lid, onder c, in verbinding met artikel 7:14 van de Awb . Betrokkene was op de hoogte van het feit dat sprake was van niet‑ontvankelijkheid en zijn gemachtigde heeft in zijn verweerschrift verklaard dat hij “uiteraard weet dat hij bij de ziektekostenverzekeraar of bij de Geschillencommissie Zorgverzekeringen moet zijn”.

4.5.

Gelet hierop slaagt ook het hoger beroep van betrokkene niet.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

bevestigt de aangevallen uitspraak;

bepaalt dat van CAK een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2019.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) C.I. Heijkoop

NW


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature