< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

College heeft verzending van het besluit op de gestelde datum niet aannemelijk gemaakt. Er volgt inhoudelijke beoordeling. College was bevoegd de aanvraag buiten behandeling te laten. Voorschotten terecht teruggevorderd.

Uitspraak



17 6739 PW

Datum uitspraak: 16 april 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 oktober 2017, 17/430 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad schriftelijk beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2019. Appellant is, hoewel daartoe in persoon opgeroepen, niet verschenen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van de Waarsenburg. Het college heeft zich - daartoe eveneens opgeroepen - laten vertegenwoordigen door R. Onwijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 8 juli 2016 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Bij brief van 10 augustus 2016 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk 24 augustus 2016 een aantal voor de beoordeling van de aanvraag relevante gegevens over te leggen, te weten bewijzen dat appellant in de maanden juni 2016 en juli 2016

(en eventueel augustus 2016) de huur heeft voldaan, bankafschriften vanaf de maand augustus 2016, bewijzen dat appellant huurtoeslag ontvangt voor zijn huidige woning en bewijzen waaruit blijkt dat appellant niet aan zijn sollicitatieverplichting heeft kunnen voldoen. Daarbij is appellant erop gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie binnen de daarvoor gestelde termijn tot gevolg kan hebben dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling wordt genomen.

1.3.

Bij besluit 23 augustus 2016 heeft het college appellant een voorschot van € 835,- in de vorm van een renteloze lening verstrekt.

1.4.

Bij besluit van 30 augustus 2016 heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant de in de brief van 10 augustus 2016 gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Tevens heeft het college van appellant het aan hem verstrekte voorschot van € 835,- teruggevorderd. Bij brief van 21 oktober 2016 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaarschrift is op 24 oktober 2016 bij de gemeente binnengekomen. Appellant heeft in zijn bewaarschrift vermeld dat hij het besluit van 30 augustus 2016 pas op 30 september 2016 heeft ontvangen.

1.5.

Bij besluit van 5 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2016 niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat het bezwaarschrift niet binnen de binnen de termijn van zes weken na verzending van het besluit van 30 augustus 2016 is ontvangen en dat appellant daarvoor geen verschoonbare reden heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant de verzending van het besluit van 30 augustus 2016 niet heeft betwist, zodat van een juiste verzending van het besluit kan worden uitgegaan. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na 30 augustus 2016 is verzonden. Gelet hierop is de bezwaartermijn aangevangen op 31 augustus 2016 en geëindigd op 12 oktober 2016 (lees: 11 oktober 2016). De rechtbank volgt appellant niet in zijn betoog dat de bezwaartermijn pas aanvangt op het moment dat het besluit is ontvangen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat appellant het besluit binnen de bezwaartermijn heeft ontvangen, zodat hij binnen de bezwaartermijn, desnoods pro-forma, bezwaar had kunnen maken.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij het besluit van 30 augustus 2016 pas op 30 september 2016 heeft ontvangen en vanaf dat moment ook pas de bezwaartermijn van zes weken is aangevangen. Omdat het college geen verzendregistratie heeft bijgehouden, kan niet worden vastgesteld wanneer het college het besluit daadwerkelijk aan hem heeft verzonden. In dat kader heeft hij verwezen naar de uitspraken van 3 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2951 en van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9155.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.2.

De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak/ingeval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat dat besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Contra-indicaties kunnen meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel (eerder) moet zijn ontvangen, waarmee, zonder nader bewijs, ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Zie de uitspraak van 3 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1174.

4.3.

Het standpunt van appellant komt er op neer dat er niet van kan worden uitgegaan dat het besluit daadwerkelijk op de door het college gestelde verzenddatum, 30 augustus 2016, is verzonden. Gelet op wat hiervoor onder 4.2 is weergegeven, dient allereerst beoordeeld te worden of het college aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 30 augustus 2016 op die datum is verzonden.

4.4.

Vaststaat dat het college het op 30 augustus 2016 gedagtekende besluit naar het door appellant opgegeven adres heeft verzonden en dat dit besluit is ontvangen. Het besluit is evenwel niet aangetekend verzonden. Het college heeft desgevraagd verklaard dat een registratie van de daadwerkelijke verzending van het besluit ontbreekt. Het college heeft ook anderszins niet aannemelijk kunnen maken dat het besluit op 30 augustus 2016 daadwerkelijk is verzonden naar het adres van appellant. Het door het college omschreven proces met betrekking tot het verzenden van brieven biedt daartoe onvoldoende waarborgen.

4.5.

Daarmee ligt in het onderhavige geval de vraag voor of sprake is van contra-indicaties als hiervoor onder 4.2 bedoeld. De Raad is niet van dergelijke contra-indicaties gebleken.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de verzending van het besluit op 30 augustus 2016 niet aannemelijk is geworden. Dit betekent dat dit besluit niet op die datum op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en dat dus de termijn voor het maken van bezwaar niet op 31 augustus 2016 is aangevangen. Hieruit vloeit tevens voort dat moet worden aangenomen dat het besluit van 30 augustus 2016 een dag voor de gestelde ontvangst op

30 september 2016 dus op 29 september 2016 is verzonden en dus pas toen op de voorgeschreven is bekendgemaakt. Dat betekent dat de termijn voor het maken van bezwaar op 29 september 2016 is aangevangen en dat het bezwaarschrift dus tijdig is ingediend. Het college heeft het bezwaar van appellant derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellant inhoudelijk beoordelen. Met het oog op deze mogelijke uitkomst heeft de Raad partijen opgeroepen en hen gevraagd zich ook voor te bereiden op een inhoudelijke behandeling van het geschil.

Het buiten behandeling stellen van de aanvraag

4.7.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.8.

Vaststaat dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt binnen de in de brief van 10 augustus 2016 gegeven hersteltermijn.

4.9.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De door het college bij appellant opgevraagde gegevens zijn bedoeld om met de andere beschikbare gegevens een compleet beeld te krijgen van zijn financiële situatie en het college heeft deze gegevens, behoudens de bewijzen dat appellant heeft voldaan aan zijn sollicitatieverplichting, terecht van belang geacht voor de beoordeling van de aanvraag.

4.10.

Appellant heeft aangevoerd dat hij geen bewijzen van huurbetaling kon overleggen omdat hij geen geld had om in de maanden juni 2016 tot en met augustus 2016 de huur te betalen en dat hij als voordeurdeler nooit een bewijs van huurtoeslag heeft ontvangen. Verder heeft appellant betoogd dat hij de bankafschriften reeds had ingeleverd.

4.11.

Niet valt in te zien dat appellant niet over de gevraagde bankafschriften beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en dat hij deze gegevens niet tijdig heeft kunnen overleggen. Mocht dit laatste anders zijn geweest, zoals appellant heeft betoogd ten aanzien van de huurbetalingen en de huurtoeslag, dan had het op de weg van appellant gelegen om het college binnen de gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen en uitstel te vragen. Dit heeft appellant echter niet gedaan. Het betoog van appellant dat hij de gevraagde bankafschriften reeds op een eerder moment heeft overgelegd, faalt omdat deze bankafschriften zagen op een periode gelegen vóór augustus 2016.

4.12.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat appellant niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Terugvordering van het voorschot

4.13.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW kan het college van de gemeente de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

4.14.

Vaststaat dat het college het teruggevorderde voorschot met toepassing van artikel 52 van de PW aan appellant heeft verstrekt. Voorts is de aanvraag in verband waarmee de voorschotten zijn verstrekt, wegens ontbrekende gegevens met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb , buiten behandeling gesteld. Strikt genomen is na het verstrekken van de voorschotten niet inhoudelijk beoordeeld of en vastgesteld dat appellant op dat moment geen recht op bijstand had. Een redelijke wetsuitleg brengt echter mee dat in een geval waarin de aanvraag niet heeft geleid tot toekenning van bijstand omdat toepassing is gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb - voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW - op één lijn is te stellen met de situatie waarin wel is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat. Ook in dat geval is immers geen verrekening met toegekende bijstand over de betreffende periode mogelijk. Zie de uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3435.

4.15.

Uit 4.14 volgt dat het college bevoegd was de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 835,- van appellant terug te vorderen.

4.16.

Gelet op wat in 4.7 tot en met 4.15 is overwogen zal de Raad het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2016 ongegrond verklaren.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 512,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.536,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 5 januari 2017;

- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2016 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een

bedrag van € 1.536,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.Y. van Almelo

md


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature