< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering. Hennepkwekerij. Onvoldoende grondslag voor meer dan één hennepoogst.

Uitspraak



18/788 PW, 18/789 PW

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

29 januari 2018, 17/1569 en 17/1570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een ander stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Namens appellant is verschenen mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W. Venderbos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 augustus 1989 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 20 juli 2016 heeft de politie Eenheid Limburg een al langere tijd niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in de schuur behorende bij de woonwagen van appellant. De onderzoeksbevindingen van de politie zijn neergelegd in een proces‑verbaal “Aantreffen hennepkwekerij” van 23 juli 2016 en een “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” van 26 juli 2016. Volgens het proces-verbaal “Aantreffen hennepkwekerij” heeft de politie in totaal 209 plantenbakken aangetroffen welke gevuld waren met potgrond/steenwol, en geconstateerd dat in de plantenbakken zich wortel- en hennepresten bevonden. De politie heeft appellant op 20 juli 2016 verhoord. Het verslag van het verhoor is neergelegd in een proces-verbaal van die datum.

1.3.

Naar aanleiding van de aangetroffen hennepkwekerij heeft een medewerker handhaving, werkzaam bij de gemeente Venlo, onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer kennisgenomen van de onderzoeksbevindingen van de politie zoals neergelegd in de onder 1.2 vermelde stukken, dossieronderzoek verricht, de basisregistratie personen geraadpleegd en appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

23 november 2016.

1.4.

Bij besluit van 15 december 2016 heeft het college de bijstand met ingang van 16 november 2015 ingetrokken en per 15 december 2016 beëindigd en de over de periode van 16 november 2015 tot 1 oktober 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.804,86 (netto) van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 4 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de hennepkwekerij in zijn woning (lees: in de schuur behorende bij de woonwagen van appellant). Daardoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 16 november 2015 tot en met 15 december 2016.

4.2.

Vaststaat dat op 20 juli 2016 in de schuur behorende bij de woonwagen van appellant een niet in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen en dat appellant daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.3.

Dit feit rechtvaardigt volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling dat appellant daarvan de exploitant is geweest en dat de opbrengst hem ten goede is gekomen. Het is dan aan appellant om aannemelijk te maken dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen.

4.4.

Appellant betwist dat hij de exploitant is geweest. Hij durfde tijdens zijn verhoor bij de politie niet te zeggen wie de exploitant(en) wel is of zijn. Op 9 januari 2017 heeft hij aangifte gedaan van bedreiging met de dood door zijn broer. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de enkele stelling dat anderen de hennepkwekerij exploiteerden en dat appellant slechts onder bedreiging ruimte beschikbaar heeft gesteld zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen, daarvoor onvoldoende is. Appellant heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat anderen de hennepkwekerij exploiteerden. Dat appellant aangifte van bedreiging heeft gedaan, maakt dat niet anders, omdat daaruit niet volgt dat appellant, los van de vraag of hij zelf exploitant is geweest, geen inkomsten heeft ontvangen uit of in verband met de hennepkwekerij.

4.5.

De exploitatie van de hennepkwekerij in de schuur van appellant is een omstandigheid waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kon zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Door daarvan geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.7.

De enkele stelling van appellant dat hij geen inkomsten heeft ontvangen uit de hennepkwekerij is daarvoor onvoldoende. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet ervan worden uitgegaan dat, zelfs indien nog geen oogst heeft plaatsgevonden, appellant in het kader van de exploitatie van de hennepkwekerij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, waarmee inkomsten zijn of kunnen worden verworven.

4.8.

Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij bij vonnis van 7 december 2017 (strafzaak) door de strafrechter over de periode 1 maart 2016 tot en met 20 juli 2016 is vrijgesproken van kort gezegd en voor zover van belang: 1. primair, het opzettelijk behulpzaam zijn geweest aan derden, door aan die onbekend gebleven persoon/personen zijn schuur voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen, of het opzettelijk behulpzaam zijn, door aan die personen voornoemde schuur voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen; 1. subsidiair, het aanwezig hebben van 209 potten met hennepresten en 2. het opzettelijk behulpzaam zijn/in de gelegenheid stellen om zonder betaling elektriciteit van Enexis af te nemen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4.9.

De verwijzing naar het vonnis van de strafrechter baat appellant niet. De bestuursrechter is in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en ander procesrecht van toepassing is. In de strafzaak heeft een andere rechtsvraag voorgelegen. Uit het vonnis in de strafzaak blijkt dat opzet als element deel uitmaakte van het aan appellant ten laste gelegde feit 1, primair, en feit 2, waarvan hij door de strafrechter is vrijgesproken en dat die opzet diende te zijn gericht op, kort gezegd, het behulpzaam zijn aan derden door zijn schuur voor het telen van hennep beschikbaar te stellen, dan wel het behulpzaam zijn aan derden door hen in de gelegenheid stellen om buiten de meter om elektriciteit van Enexis af te nemen. Bij de beantwoording van de in dit geschil aan de orde zijnde vraag of appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, gaat het erom of het hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het exploiteren van de hennepkwekerij en de opbrengst daarvan van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat appellant niet zelf de exploitant was en niet opzettelijk aan derden behulpzaam was in vorengenoemde zin is voor beantwoording van die vraag irrelevant. Dat appellant door de strafrechter ook is vrijgesproken van feit 1, subsidiair, het aanwezig hebben van 209 potten met hennepresten, baat hem evenmin. Uit de verklaring die appellant in het kader van het door het college verrichte onderzoek op 22 november 2016 heeft afgelegd, blijkt dat appellant niet heeft betwist dat in de schuur die behoorde bij zijn woonwagen 209 potten met hennepresten aanwezig waren. Dat de potten met hennepresten zich niet in de machtssfeer van appellant bevonden, is niet relevant voor de vraag of appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden in vorengenoemde zin.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat de Raad in 4.5 tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, zonder twijfel op te roepen over de juistheid van de gronden van de in het vonnis van 7 december 2017 van de strafrechter vervatte vrijspraak.

4.11.

Appellant heeft tijdens het verhoor op 22 november 2016 verklaard dat de kwekerij een maand voordat de politie bij hem is geweest op 20 juli 2016 is opgebouwd met tweedehands materialen. Om die reden betwist appellant subsidiair de ingangsdatum van de intrekking. Volgens hem kan er hoogstens één oogst zijn geweest. Deze beroepsgrond slaagt. Het college is voor het vaststellen van de ingangsdatum van de exploitatie uitgegaan van de bevindingen van de politie in het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel”. Volgens het rapport is doorslaggevend voor het aannemen van drie oogsten dat op meerdere plaatsen drie duidelijke potafdrukken zichtbaar waren in de tempex-ondergrond van de kweekbak. Deze potafdrukken zaten op nagenoeg de zelfde plek. Daarbij is uitgegaan van een kweekcyclus van tien weken per oogst. Verder waren er volgens het rapport aanwijzingen voor meerdere oogsten, namelijk hennepresten en kalkafzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil tegen de opstaande rand, welke overeen kwam. Ook lag er stof op koolstoffilters en is er bij verplaatsing van de bevestiging van de filters verkleuring op de filters geconstateerd. Bovendien lag er stof op de lampen. Op de lampen bevonden zich geen vingerafdrukken, die erop zouden kunnen wijzen dat het stof al aanwezig was bij het ophangen van de lampen en de bijbehorende kappen. Uit deze bevindingen kan wel worden afgeleid dat er sprake was van één eerdere oogst, maar kan niet worden afgeleid dat er sprake is van meer dan één oogst. De vervuiling van de koolstoffilters, de stof op de lampenkappen, de kalkafzetting en het ontbreken van vingerafdrukken op de lampen, vormen op zichzelf en ook in onderling verband bezien onvoldoende grond om aan te nemen dat er meer dan één oogst is geweest. In het bijzonder kan daaruit niet worden afgeleid dat sprake was van drie eerdere oogsten, zoals het college heeft geconcludeerd. Daarbij is van belang dat uit het rapport blijkt dat slechts van een aantal potten drie afdrukken in het tempex te zien waren. Niet is komen vast te staan dat alle potten in de kwekerij drie keer zijn verplaatst. Ook is van belang dat geconstateerd is dat de hennepkwekerij al langere tijd niet in gebruik was, zodat niet met zekerheid is vast te stellen dat het aanwezige stof alleen zijn verklaring vindt in het kweken van hennep. Ook overigens zijn geen feiten naar voren gekomen die duiden op meer dan één oogst. Het college heeft dan ook op basis van het rapport niet mogen uitgaan van de door hem gehanteerde aanvangsdatum van 16 november 2015.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat het college wel aannemelijk heeft gemaakt dat appellant éénmaal heeft geoogst. Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat in dat geval moet worden uitgegaan van 20 april 2016 als ingangsdatum van de werkzaamheden voor de hennepkwekerij.

4.13.

Appellant heeft ten slotte een beroep gedaan op dringende redenen op grond waarvan moet worden afgezien van terugvordering. Deze grond slaagt niet. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. In wat appellant heeft aangevoerd, zijn geen dringende redenen gelegen. De problemen die appellant ondervindt door dubbele huurkosten en schulden zijn geen gevolg van de intrekking en de terugvordering. Deze problemen zijn een gevolg geweest van de ontruiming van de woning op last van de burgemeester na de ontdekking van de hennepkwekerij. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellant de bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering .

4.14.

Uit 4.5 tot en met 4.13 volgt dat onvoldoende grondslag bestaat voor de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 16 november 2015 tot en met 19 april 2016. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de intrekking over die periode en de terugvordering in zijn geheel wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu gelet op het tijdsverloop niet is te verwachten dat het college via nader onderzoek alsnog aannemelijk kan maken dat sprake is geweest van meer dan één oogst, zal de Raad tevens, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, het besluit van 15 december 2016 herroepen voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 16 november 2015 tot en met 19 april 2016. Het college dient, uitgaande van de periode van intrekking van 20 april 2016 tot en met 15 december 2016, de hoogte van het terug te vorderen bedrag opnieuw vast te stellen. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. De Raad zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2016 voor zover dat ziet op de terugvordering. Omdat het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, acht de Raad toepassing van de bestuurlijke lus niet aangewezen. Wel ziet de Raad hierin, met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil, aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.072,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 mei 2017 voor zover dat ziet op

de intrekking over de periode van 16 november 2015 tot en met 19 april 2016 en op de

terugvordering;

- herroept het besluit van 15 december 2016 voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over

de periode van 16 november 2015 tot en met 19 april 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 4 mei 2017 voor zover

dit ziet op de intrekking van de bijstand;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 15

december 2016 voor zover dit ziet op de terugvordering;

- bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.072,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.M. Pasmans

JL


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature