< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Ontslag. Plichtsverzuim.

Uitspraak



18 1869 AW

Datum uitspraak: 1 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

6 maart 2018, 16/5581 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Niks en J. Petrus.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als Hoofd Afdeling [naam Afdeling] , Team [A] van de Nederlandse Politie. In 2012 heeft het Openbaar Ministerie in samenwerking met de Rijksrecherche het onderzoek ‘Dotterbloem’ gestart naar mogelijke corruptie bij het wagenparkbeheer van politie en defensie. Appellant is in dat strafrechtelijke onderzoek als verdachte aangemerkt. In verband daarmee heeft de korpschef een intern onderzoek naar appellant ingesteld en is appellant op 15 mei 2013 buiten functie gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft de voorlopige resultaten van het strafrechtelijk onderzoek niet aan de korpschef ter beschikking gesteld. De buitenfunctiestelling van appellant is per 1 februari 2014 opgeheven.

1.2.

Bij brief van 6 maart 2014 heeft de korpschef appellant op de hoogte gebracht van zijn voornemen om hem wegens plichtsverzuim voorwaardelijk ontslag te verlenen met een proeftijd van twee jaar en hem te verplaatsen naar een andere functie waarbij het onderhouden van contacten met leveranciers geen onderdeel uitmaakt van zijn rol/functie. Daarbij is vermeld dat indien uit het proces-verbaal van de Rijksrecherche nieuwe feiten of omstandigheden blijken die doen vermoeden dat sprake is van ander of groter plichtsverzuim dan is vastgesteld, de korpschef zich het recht voorbehoudt een nader disciplinair onderzoek in te stellen. Bij een ongedateerd besluit heeft de korpschef appellant op grond van het bepaalde in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, en artikel 78, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar opgelegd wegens plichtsverzuim. Het verweten plichtsverzuim bestond uit de voordelen in de privésfeer die appellant heeft verkregen van [X B.V.] ( [X] ), met welk bedrijf hij vanuit zijn functie contact onderhield, en uit het niet volledig transparant zijn daarover tijdens het verhoor van 2 oktober 2013. De voordelen betroffen het twee keer gebruik maken van een Volkswagen Transporter van [X] ten behoeve van vakanties in 2007 en 2011, het gebruik maken van een Audi A6 van [X] ten behoeve van een vakantie in 2005 en het aannemen van een afgeschreven set velgen met winterbanden van [X] .

1.3.

De officier van justitie heeft op basis van zijn bevindingen uit onderzoek ‘Dotterbloem’ appellant bij brief van 10 juli 2015 op de hoogte gesteld van zijn besluit om hem op grond van de artikelen 362 en 363 van het Wetboek van Strafrecht te vervolgen ter zake van ambtelijke corruptie en het bezit van een verboden werpster. Het betrof de volgende strafbare gedragingen:

- het aannemen van een gift als ambtenaar: de aankoop van een Audi A6 in april 2007 voor € 26.000, terwijl de reële verkoopwaarde ligt tussen de € 37.100 en € 41.500; de uiteindelijke leverancier was [X] ;

- het aannemen van een gift als ambtenaar: de korting op onderhoud en winterbanden van de Audi A6 tussen 2007 en 2011. De leverancier en dienstverlener was [X] ;

- het aannemen van een gift als ambtenaar: het huren van voertuigen tussen juli 2005 en oktober 2011 waarvan de huur steeds betaald werd door [X] ;

- het aannemen van een gift als ambtenaar: het aannemen van een horloge (€ 100) en twee jassen (€ 200);

- het handelen in strijd met de plicht: het verstrekken van informatie aan [X] ondanks geheimhoudingsverklaring;

- het bezit van een werpster (categorie I) ten tijde van de doorzoeking.

1.4.

De brief van 10 juli 2015 is in afschrift aan de korpschef gestuurd. De korpschef heeft bij brief van 15 juli 2015 aan appellant meegedeeld dat door het Bureau Veiligheid Integriteit en Klachten (BVIK) een intern onderzoek wordt ingesteld naar mogelijk door hem gepleegd ernstig plichtsverzuim, dat veel omvangrijker is dan het plichtsverzuim dat ten grondslag lag aan het voorwaardelijke ontslag met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft de korpschef aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem te schorsen voor de duur van zes maanden, appellant buiten functie gesteld en hem de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, ontzegd.

1.5.

Op 19 januari 2016 heeft BVIK rapport uitgebracht aan de korpschef. Bij brief van

1 februari 2016 heeft de korpschef appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem wegens zeer ernstig plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen, omdat gebleken is dat appellant zich aan ander en groter plichtverzuim heeft schuldig gemaakt dan waarvoor hem eerder een voorwaardelijke straf is opgelegd. Op 18 februari 2016 heeft met appellant een zienswijzegesprek plaatsgevonden. Daarna heeft nader intern onderzoek plaatsgevonden en is op 8 maart 2016 een nader rapport uitgebracht.

1.6.

Bij besluit van 23 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft de korpschef aan appellant met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van het bepaalde in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp . Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit, samengevat, het volgende:

a. appellant heeft misbruik gemaakt van zijn positie bij de politie door, gebruikmakend van zijn zakelijk relatie als politieambtenaar met medewerkers van [X] , een auto (Audi A6 quattro) te kopen tegen een evident lagere prijs dan de marktwaarde van deze auto en met inruil van zijn eigen auto;

b. appellant heeft misbruik gemaakt van zijn positie bij de politie door, gebruikmakend van zijn zakelijke relatie als politieambtenaar met medewerkers van [X] , zijn auto, wetende dat deze dienst niet aan een willekeurige Audi-rijder wordt aangeboden, voor onderhoudswerkzaamheden en/of reparatie aan te bieden/dan wel gebruik te maken van het aanbod van [X] , alsmede kortingen te bedingen/te accepteren op de verrichte werkzaamheden en onderdelen. Appellant wist dat de kortingen werden verleend uit het oogpunt van relatiebeheer vanwege zijn positie bij de politie. Het gaat om kortingen van twee derde van de in totaal te factureren bedragen;

c. appellant heeft misbruik gemaakt van zijn positie bij de politie, door privé (financieel) voordeel te genieten. Zo heeft appellant:

- een set winterbanden/velgen om niet van [X] geaccepteerd;

- een voormalige [X] auto VW Fox bij de Skoda dealer gekocht en een Volkswagen Passat voor zijn zoon, een en ander tegen een prijs die tot stand kwam na tussenkomst van zijn gesprekspartner bij [X] ;

- aan [X] verzocht een busje beschikbaar te stellen voor de verhuizing van zijn zoon. Dit busje is hem kosteloos ter beschikking gesteld.

d. appellant heeft eind 2013 desgevraagd verklaard dat de verhoren van de Rijksrecherche geen nieuwe informatie zouden bevatten ten aanzien van zijn handelen, terwijl hij wist dat dit wel het geval was. Appellant had immers tijdens de verhoren van de Rijksrecherche kennis genomen van de verklaringen en berichten van de [X] medewerkers en [B] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef terecht het plichtsverzuim onder b en c aan appellant heeft verweten. Van het plichtsverzuim onder a acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant de Audi A6 quattro voor een evident lagere prijs dan de marktwaarde heeft gekocht. Het plichtsverzuim onder d acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, omdat niet is vermeld welke nieuwe informatie de verhoren van de Rijksrecherche bevatten. Met het terecht verweten plichtsverzuim onder b en c heeft appellant op ontoelaatbare wijze zijn zakelijke relaties gebruikt voor privé-doeleinden en heeft hij de schijn gewekt dat hij zijn positie bij de politie gebruikte om privé-voordeel te krijgen. De rechtbank acht het plichtsverzuim toerekenbaar en oordeelt dat de straf van ontslag niet onevenredig is aan de aard, omvang en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Bij vonnis van 22 februari 2018 van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2018:1373, is appellant veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur voor (passieve) ambtelijke omkoping, meermalen gepleegd, schending van zijn ambtsgeheim en verboden wapenbezit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de straf van ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim onder b en c vermeld in rechtsoverweging 1.6. Appellant acht de aard, de hoeveelheid en de ernst van het plichtsverzuim niet van dien aard dat het een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt. Zo betreft de winterwielwissel een relatief laag bedrag van € 25,- per wissel en is het niet ongebruikelijk in de autobranche dat een dergelijk bedrag niet in rekening wordt gebracht. Dat geldt ook voor het gratis laten uitvoeren van een APK-keuring, als dat geschiedt in combinatie met overige werkzaamheden. Het gaat volgens appellant niet om kortingen die anderen in de privésfeer niet zouden hebben kunnen krijgen. Appellant heeft gesteld dat hij niet actief om de kortingen heeft gevraagd en de stelling van de rechtbank dat de kortingen hem vanwege zijn positie bij de politie zijn verleend, onderschrijft appellant niet. Appellant ziet thans in dat hij er onverstandig aan heeft gedaan om zich met zijn verzoeken tot medewerkers van [X] te richten en dat hij zich tot een ander autobedrijf had moeten wenden. Voorts heeft appellant belicht dat hij altijd goede beoordelingen heeft gehad en de politieorganisatie lovend was over zijn goede relationele contacten met [X] en daar ook veel profijt van heeft gehad. Over de hoeveelheid van de gedragingen heeft appellant gesteld dat het feitelijk eenzelfde gedraging betreft die enkele keren is herhaald.

5.2.

Tussen partijen is in geschil of de opgelegde disciplinaire straf van ontslag gezien de ernst en de aard van de gedraging en de voor politieambtenaren geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim zoals dat door de rechtbank is vastgesteld.

5.3.

De korpschef heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een politieambtenaar zich onder geen beding gevoelig mag tonen voor kortingen en andere voordelen die hem vanwege zijn functie bij de politie als privépersoon worden aangeboden om hem gunstig te stemmen, ongeacht de omvang van die kortingen en voordelen. De gunsten zijn hem verleend via zijn zakelijke contacten bij [X] en de werkzaamheden aan zijn auto zijn verricht bij de werkplaats van het hoofdkantoor van [X] tijdens zakelijke gesprekken die hij voerde over de uitvoering van overeenkomsten tussen [X] en de politie. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de gunsten aan appellant zijn verleend vanwege zijn functie bij de politie. Dat anderen, die niet werkzaam zijn bij de politie, als privépersoon mogelijk vergelijkbare voordelen zouden kunnen verkrijgen, doet hier niet af. Appellant heeft gebruik gemaakt van de hem geboden gunsten en er deels zelf actief om verzocht. Hierdoor heeft hij het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en het aanzien van de politie schade toegebracht. Dit brengt de Raad, met de rechtbank, tot het oordeel dat de aard en ernst van het plichtsverzuim vermeld onder b en c van rechtsoverweging 1.6 niet onevenredig is aan de opgelegde straf van ontslag. Dat appellant nu inziet dat hij anders had moeten handelen, zijn lange staat van dienst en de gevolgen die het ontslag voor hem heeft, kunnen niet leiden tot een ander oordeel.

5.4.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en K.J Kraan en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

ew


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature