< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Vier maanden nadat de TBS-maatregel onherroepelijk was geworden zonder dat appellant feitelijk in een TBS-kliniek was geplaatst, kon de Wajong-uitkering niet meer geweigerd worden op de grond dat appellant ‘rechtens’ zijn vrijheid was ontnomen. Om een Wajong-uitkering na detentie te kunnen heropenen dient onder andere vast te staan dat betrokkene arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong. De vraag of appellant arbeidsongeschikt was vier maanden na het onherroepelijk worden van de TBS-maatregel kan niet beantwoord worden, nu de daarvoor noodzakelijke onderzoeken niet zijn uitgevoerd en er dus geen relevante gegevens beschikbaar zijn. Hieruit volgt dat niet zelf in de zaak kan worden voorzien. Vernietiging uitspraak en besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Uitspraak



14/2730 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 april 2014, 13/2384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2017. Namens appellant is

mr. Van Berge Henegouwen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1. Op 11 december 2012 heeft het Uwv appellant schriftelijk laten weten dat zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) over de periode van 14 februari 2006 tot 20 maart 2007 niet zal worden heropend. Met een brief van dezelfde datum, door het Uwv ontvangen op 17 december 2012, is namens appellant uiteengezet waarom, naar zijn mening, aan hem over deze periode wel een heropende Wajong-uitkering zou moeten worden toegekend. Als reactie op deze brief heeft het Uwv appellant op 21 januari 2013 schriftelijk laten weten dat, na overleg met het Juridisch Kenniscentrum van het Uwv, er geen aanleiding bestaat het standpunt te wijzigen. Met een brief, gedateerd 27 februari 2013, is namens appellant een bezwaarschrift ingezonden. In een besluit van 4 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 21 januari 2013 slechts een nadere toelichting bevat op het besluit van 11 december 2012. De brief namens appellant van 11 december 2012 kan, gezien de bewoordingen, volgens het Uwv niet aangemerkt worden als een bezwaarschrift tegen het besluit van diezelfde datum.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Ontvankelijkheid bezwaar

3.1.

Naar aanleiding van een herhaald, met redenen omkleed, verzoek van de gemachtigde om over de periode in geding de Wajong-uitkering van appellant te heropenen, heeft het Uwv op 11 december 2012 laten weten hier niet toe te zullen overgaan. Dit kan niet anders worden opgevat dan als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief van de gemachtigde van dezelfde datum is, blijkens de aanhef, een reactie op dit besluit. In deze brief is aangegeven waarom het besluit onjuist wordt geacht. Deze brief had door het Uwv moeten worden aangemerkt als een, tijdig, bezwaarschrift tegen het besluit van 11 december 2012. Dat deze brief eindigt met “Zou u mij binnen tien dagen na heden nog kunnen laten weten of het bovenstaande uw zienswijze verandert, bij gebreke waarvan nadere rechtsmaatregelen namens cliënt onvermijdelijk zullen zijn”, maakt dit niet anders. Hier valt niet uit af te leiden dat de gemachtigde niet heeft beoogd bezwaar te maken, nu er meerdere rechtsmaatregelen mogelijk waren. De reactie van het Uwv op 21 januari 2013 moet aangemerkt worden als het besluit op bezwaar, waarna het, tijdig ingediende, bezwaarschrift van 27 februari 2013 door het Uwv aan de rechtbank doorgezonden had moeten worden om aldaar als beroepschrift behandeld te worden.

3.2.

Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard en het Uwv eveneens ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient dan ook vernietigd te worden, evenals het bestreden besluit.

Inhoudelijke beoordeling

4.1.

In het kader van de definitieve geschilbeslechting zal bezien worden of tot een eindoordeel gekomen kan worden.

4.2.

Appellant, geboren [geboortedatum] 1968, wordt op [datum] 1986 geacht 80 tot 100% arbeidsongeschikt te zijn en heeft een Wajong-uitkering ontvangen. De Wajong-uitkering is in de loop der jaren enige malen beëindigd en op een later tijdstip weer heropend wegens detentie van appellant. In de periode in geding was de Wajong-uitkering opnieuw ingetrokken wegens detentie die langer dan een maand duurde. De hieraan ten grondslag liggende regeling is onder andere in de Wajong ingevoerd met de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg). De Wajong-uitkering wordt na een maand detentie ingetrokken als aan de

Wajong-gerechtigde rechtens de vrijheid is ontnomen.

4.3.

Met het besluit van 11 december 2012 heeft het Uwv appellant laten weten dat zijn Wajong-uitkering niet wordt heropend voor de periode van 14 februari 2006 tot

20 maart 2007. Op 14 februari 2006 is de aan appellant opgelegde TBS-maatregel onherroepelijk geworden, terwijl de uitvoering hiervan pas op 20 maart 2007 is begonnen. In de tussentijd (de passantentermijn) zat appellant in detentie, in afwachting van de plaatsing in een TBS-kliniek. De hem ook opgelegde gevangenisstraf had hij toen al uitgezeten.

4.4.

Over onder andere de duur van deze passantentermijn heeft appellant een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Bij arrest van

5 april 2011, 6051/07, heeft het EHRM geoordeeld dat weliswaar een zekere overbruggingsperiode acceptabel is, maar dat de door appellant voltooide passantentermijn van ruim dertien maanden strijd oplevert met artikel 5, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.5.

Uit het arrest van het Hof volgt dat in ieder geval niet voor de hele periode in geding gezegd kan worden dat aan appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Het Hof heeft zich niet expliciet uitgelaten over de vraag hoe lang een passantentermijn mag zijn om nog te kunnen spreken van lawful detention in de zin van artikel 5 EVRM . Uit de aan appellant in die procedure door het Hof toegekende compensatie, die overeenkwam met de door de Nederlandse Staat aangeboden compensatie, uitgaande van een overschrijding van de termijn nadat vier maanden waren verstreken, kan niet worden afgeleid dat het Hof een termijn van vier maanden niet acceptabel zou vinden. Mede onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5074, wordt daarom aangenomen dat na een passantentermijn van vier maanden sprake is van een onrechtmatige vrijheidsbeneming.

4.6.

Hiervan uitgaande moet de conclusie zijn dat vier maanden nadat de TBS-maatregel onherroepelijk was geworden zonder dat appellant feitelijk in een TBS-kliniek was geplaatst, de Wajong-uitkering niet meer geweigerd kon worden op de grond dat appellant ‘rechtens’ zijn vrijheid was ontnomen.

4.7.

Om een Wajong-uitkering na detentie te kunnen heropenen dient onder andere vast te staan dat betrokkene arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong. De vraag of appellant arbeidsongeschikt was vier maanden na het onherroepelijk worden van de TBS-maatregel kan niet beantwoord worden, nu de daarvoor noodzakelijke onderzoeken niet zijn uitgevoerd en er dus geen relevante gegevens beschikbaar zijn. Hieruit volgt dat niet zelf in de zaak kan worden voorzien.

4.8.

Uit 3.1 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd dienen te worden en dat het Uwv, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 juni 2013 en bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op

bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2017.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP

» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature