< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Te laat bezwaar gemaakt. Detentie is geen verschoonbare omstandigheid. Appellant had moeten zorgen voor zaakwaarnemer

Uitspraak



16/5980 WWB

Datum uitspraak: 25 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

8 augustus 2016, 16/1314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Engels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Engels. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.H. Wichard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 november 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Appellant stond ten tijde hier van belang ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres). Bij besluit van 20 maart 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2013 ingetrokken, omdat de woon- en verblijfplaats van appellant onbekend was.

1.2.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

1 november 2011 ingetrokken en de over de periode van 1 november 2011 tot 1 oktober 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 22.502,75. Het besluit berust op de grond dat appellant in strijd met de inlichtingenverplichting niet heeft meegedeeld dat hij in Turkije onroerende zaken in eigendom heeft met een waarde van

€ 30.000,-. Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

1 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant eerst op 26 januari 2016 en daarmee te laat bezwaar heeft gemaakt. Het college heeft in de detenties van appellant van

22 oktober 2013 tot en met 15 juni 2014 in Turkije en van 6 augustus 2014 tot en met

4 december 2015 in Nederland geen aanleiding gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2014 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2014 na afloop van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van zes weken heeft ingediend.

4.2.

In artikel 6:11 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, een niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het voor hem onmogelijk was eerder bezwaar te maken, vanwege de in 1.2 vermelde detenties. Zijn moeder, die ook op het uitkeringsadres woonde, verbleef veel in Turkije en hij had ten tijde hier van belang geen contact met zijn overige familieleden. Zijn familie voelde zich niet gehouden de post van appellant open te maken.

4.4.

In wat appellant heeft aangevoerd kan redelijkerwijs geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in

artikel 6:11 van de Awb . Voor zover appellant niet in staat was om zelf zorg te dragen voor de (tijdige) afhandeling van zijn post, had het op de weg van appellant gelegen om daarvoor een voorziening te treffen. Appellant was gedurende de bezwaartermijn gedetineerd in Turkije. Appellant heeft niet onderbouwd dat het onderhouden van contacten met Nederland vanuit de Turkse gevangenis onmogelijk was. Appellant heeft ter zitting ook verklaard dat hij vanuit deze gevangenis wel brieven kon sturen, maar dat de post er lang over deed. Hieruit volgt dat appellant vanuit zijn detentie een zaakwaarnemer had kunnen inschakelen voor het verzorgen van zijn post. Dat zijn familie zich niet gehouden voelde zijn post te openen, maakt dit niet anders nu zaakwaarneming niet noodzakelijk door een familielid dient plaats te vinden. De omstandigheid dat appellant een zwaarwegend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar maakt vorenstaande niet anders.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) C.A.E. Bon

HD

» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature