< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Geen sprake van (Amber-)situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO , waarin appellante na 4 weken arbeidsongeschiktheid aanspraak kon maken op heropening van haar eerder ingetrokken WAO-uitkering. Zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Geen onderschatting van de beperkingen van appellante. Appellante wordt geschikt geacht voor de maatgevende arbeid.

Uitspraak



10/4667 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 juli 2010, 10/675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Jonkman, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante lijdt aan de ziekte van Graves, een schildklieraandoening die bij appellante ook tot oogklachten heeft geleid. Vanaf 1999 heeft appellante een gedeeltelijke uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Per 21 november 2004 is deze uitkering ingetrokken omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als kwaliteitsmanager. Vanuit dit werk heeft zij zich op 20 juni 2005 ziek gemeld.

1.2. Het Uwv heeft beoordeeld of zich een (Amber-)situatie voordeed als bedoeld in artikel 43a van de WAO , waarin appellante na 4 weken arbeidsongeschiktheid aanspraak kon maken op heropening van haar eerder ingetrokken WAO-uitkering. Het Uwv heeft geen Amber-situatie aanwezig geacht en daarom besloten de WAO-uitkering van appellante niet te heropenen per 18 juli 2005. Het desbetreffende besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat appellante met ingang van 18 juni 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 8 januari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verbetering van de gronden in verband met een correctie van de omvang van de maatgevende arbeid. Het bestreden besluit is primair gegrond op geschiktheid voor de maatgevende arbeid en subsidiair op geschiktheid voor de geselecteerde functies van commercieel administratief medewerker, schadecorrespondent en administratief medewerker.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij door de combinatie van haar gebrekkige schildklierfunctie, oogklachten, hoofdpijn/migraine, been- en voetklachten ongeschikt is voor zowel de maatgevende arbeid als de geselecteerde functies. Zij voelt zich opgebrand, slaapt slecht en is moe. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar brieven van haar behandelend internist-endocrinoloog dr. G.S. Bleumink van 15 oktober 2010 en 29 december 2010 en haar huisarts H.B.A. Jeukens van 29 oktober 2010. Bij de brief van de huisarts is een uitdraai gevoegd van het huisartsjournaal vanaf 2007. Appellante stelt dat het Uwv op grond van haar energetische beperkingen een urenbeperking had moeten aannemen, zoals dat in het verleden ook bij de toepassing van de WAO is gebeurd.

3.2. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Verzekeringsarts B. Frenay van Maasdam heeft appellante zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts informatie verkregen van huisarts Jeukens, zowel over haar eigen bevindingen als over de bevindingen van dermatoloog M.B. Messen-Visch, gynaecoloog K. de Boer en podotherapeut N.H. van Hall. De verzekeringsarts heeft deze informatie bij de beoordeling betrokken. Bezwaarverzekeringsarts M. Carere heeft dossierstudie verricht en is aanwezig geweest bij de hoorzitting in bezwaar.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest en dat het Uwv de beperkingen van appellante niet heeft onderschat.

4.3. Anders dan door appellante betoogd doet de brief van Bleumink van 15 oktober 2010 aan het voorgaande niet af. Uit deze brief blijkt dat Bleumink appellante slechts één keer heeft gezien en wel op 18 augustus 2010, ruim drie jaar na de datum in geding. Bleumink vermeldt als diagnose primaire hypothyreoïdie bij de ziekte van Graves. Appellante gebruikt hiervoor Thyrax. Bij bloedonderzoek is sprake van een normale schildklierfunctie. Ten aanzien van de klachten van appellante, zoals vermoeidheid, vermeldt Bleumink geen eigen bevindingen. Zij verwijst op dit punt naar brieven van haar voorganger dr. L. Verschoor. Verder schrijft zij dat hypothyreoïdie kan leiden tot vermoeidheid en concentratieproblemen ondanks optimale instelling van de schildklierfunctie in het bloed. Of dit ook bij appellante het geval is (geweest) en waaruit dit valt af te leiden vermeldt zij niet.

4.4. De brief van Jeukens van 29 oktober 2010 en het daarbij gevoegde huisartsenjournaal werpen evenmin een ander licht op de zaak. Deze informatie is weliswaar uitgebreider dan de informatie van Jeukens waarover de verzekeringsarts destijds de beschikking had, doch bevat geen concrete gegevens over de situatie van appellante op de datum in geding.

4.5. Arbeidsdeskundige A.G.J. Henken heeft in zijn rapportage van 25 juni 2009 de maatgevende arbeid van kwaliteitsmanager en de daaraan verbonden belasting uitvoerig beschreven. De arbeidsdeskundige heeft deze belasting afgezet tegen de belastbaarheid van appellante zoals door de verzekeringsarts neergelegd in zijn rapportage van 14 april 2009 en de functionele mogelijkhedenlijst van dezelfde datum. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd tot geschiktheid voor de maatgevende arbeid. Bezwaararbeidsdeskundige B. Altena heeft, na een correctie van de omvang van de maatgevende arbeid, eveneens geconcludeerd tot geschiktheid voor de maatgevende arbeid.

4.6. De Raad is gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 tot het oordeel gekomen dat appellante geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid. Het bestreden besluit wordt in dit opzicht gedragen door een adequate en toereikende grondslag en is tevens tot stand gekomen op een wijze die de toetsing aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen kan doorstaan. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.7. Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 3 oktober 2008, LJN BF6694) rechtvaardigt geschiktheid voor de maatgevende arbeid in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de WAO geen sprake is. Deze vooronderstelling geldt eveneens bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 3 februari 2010, LJN BL2913). Dit is slechts anders indien de maatgevende arbeid niet meer voorhanden is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de juistheid van deze vooronderstelling aantasten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in het geval van appellante geen sprake.

4.8. Het Uwv heeft aldus bezien dan ook terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 juni 2007 bepaald op minder dan 35%. Het subsidiair door het Uwv ingenomen standpunt dat appellante eveneens geschikt is voor de geselecteerde functies behoeft dan ook geen bespreking.

4.9. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) L. van Eijndthoven


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature