< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Toekenning Wet WIA-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag. Appellant heeft geen medische stukken ingebracht die aanknopingspunten bieden voor een andere uitkomst. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen moeten de functies die aan de schatting ten grondslag liggen voor appellant als passend worden beschouwd.

Uitspraak



10/3558 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 2 juni 2010, 09/6470 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 2 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. den Arend - de Winter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder toezending van nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2012. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 28 november 2005 uitgevallen voor zijn werk als tuinbouwmedewerker vanwege rugklachten. Daarnaast heeft appellant psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 7 augustus 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij met ingang van 7 augustus 2008 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.1. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft psychiater drs. J. Benckhuijsen appellant onderzocht. Benckhuijsen is in zijn rapport van 3 april 2009 tot de conclusie gekomen dat appellant leidt aan een depressieve stoornis, ernstig, met een chronisch beloop zonder psychotische kenmerken. Hierdoor ondervindt appellant forse slaapstoornissen met hierbij passende vermoeidheidsklachten. Het concentreren en verdelen van de aandacht is hierdoor sterk beperkt. Benckhuijsen adviseert om appellant in te zetten in een voorspelbare werksituatie met laag werktempo en weinig afleiding, waarbij hij kan terugvallen op collega’s.

2.2. Naar aanleiding van de bevindingen van Benckhuijsen heeft de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de psychische gesteldheid van appellant meer beperkingen opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Zo acht hij appellant onder meer beperkt in zijn concentratie in de zin dat hij zich niet langer dan een half uur kan concentreren op een informatiebron. Ook acht hij een urenbeperking aangewezen van 4 uur per dag. Ten slotte acht hij appellant, voor zover thans van belang, aangewezen op werk waar geen hoog handelingstempo is vereist en meestal weinig of geen rechtstreeks contact met patiënten of hulpbehoevenden vereist is.

2.3. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens in zijn rapport van 10 juli 2009 een verlies aan verdienvermogen van 65,31% vastgesteld. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 13 juli 2009 (bestreden besluit) de bezwaren van appellant gegrond verklaard en appellant per 7 augustus 2008 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank zag - samengevat - geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten noch aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische grondslag niet juist was. De stelling dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij appellant niet sterk beperkt heeft geacht bij het punt concentratie heeft de rechtbank verworpen onder verwijzing naar het aanvullend rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 oktober 2009. Ten aanzien van de gestelde medicatiebijwerkingen in de vorm van hoofdpijn, trillen en klachten aan het rechter oog heeft de rechtbank overwogen, onder verwijzing naar genoemd aanvullend rapport, dat deze klachten niet eerder (dan in beroep) zijn gemeld en ook niet als gebruikelijke bijwerkingen van de door appellant gebruikte medicatie zijn te duiden.

3.2. De geduide functies zijn naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden gebruikt voor de schatting. Voor zover sprake is van overschrijding van zogenoemde signaleringen heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportages van 10 juli 2009 en 23 november 2009 afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum.

4. In hoger beroep heeft appellant voornamelijk herhaald wat hij in beroep heeft aangevoerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Mede gelet op de beschikbare (medische) gegevens over appellant is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv een voldoende zorgvuldig onderzoek naar de klachten van appellant heeft gedaan en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad onderschrijft geheel de daaraan in de aangevallen uitspraak gewijde, uitvoerige, overwegingen en maakt deze tot de zijne. Met name heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de in de FML opgenomen beperkingen ten aanzien van het concentratievermogen van appellant afdoende zijn gemotiveerd door de bezwaarverzekeringsarts, ook bezien in het licht van de bevindingen van Benckhuijsen op dit punt in zijn rapport van 3 april 2009. Weliswaar acht Benckhuijsen appellant sterk beperkt in zijn concentratiespanne, maar het is aan de (bezwaar)verzekeringsarts om de vertaalslag te maken van de klachten van appellant naar de op te nemen beperkingen in de FML. Terecht heeft de rechtbank in dit verband opgemerkt dat de bezwaarverzekeringsarts tijdens het spreekuur uiteraard ook eigen waarnemingen doet. Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag. Appellant heeft (ook) in hoger beroep geen medische stukken ingebracht, bijvoorbeeld met betrekking tot zijn concentratie, zijn werktempo of zijn hoofdpijnklachten en trillende handen, die aanknopingspunten bieden voor een andere uitkomst. De Raad ziet daarom, evenals de rechtbank, geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant als passend moeten worden beschouwd. De Raad volgt wat de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover heeft overwogen en maakt ook deze overwegingen tot de zijne. Met name onderschrijft de Raad de overweging van de rechtbank dat er in de functie van huishoudelijk medewerker (sbs-code 111333) slechts sprake is van een oppervlakkig contact met patiënten of hulpbehoevenden zonder een hulpvraag en dat deze functie daarmee verenigbaar is met de in de FML onder 2.12 opgenomen beperking. De stelling van appellant dat de functie productiemedewerker (sbs-code 111180) niet geschikt is omdat sprake is van een gedwongen werktempo faalt. Appellant is, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, immers niet beperkt geacht voor een gedwongen werktempo maar voor een hoog werktempo en dat is in deze functie niet aan de orde.

5.3. Uit de overwegingen 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en G.A.J. van der Hurk en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) L. van Eijndthoven.

CVG


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature