E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9990
LJN BQ9990, Centrale Raad van Beroep, 09/4596 WW + 09/5314 WW

Inhoudsindicatie:

Met betrekking tot het namens appellant ingediende verzoek om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat de door appellant verrichte betalingen ingevolge het (in bezwaar bij besluit van 19 maart 2008 gehandhaafde en bij besluit van 27 augustus 2009 herziene) terugvorderingsbesluit van 18 september 2007 onverschuldigd zijn gedaan. De door appellant als gevolg van deze onverschuldigde betalingen gederfde inkomsten uit rente zijn aan te merken als schade voortvloeiende uit die besluiten en dienen door het Uwv te worden vergoed. De schade die ingevolge artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevormd door wettelijke rente, is toewijsbaar vanaf het moment dat de bedragen van de onverschuldigde betalingen van de rekening van appellant zijn afgeschreven, en wel tot aan de dag waarop die bedragen geheel aan appellant zijn terugbetaald. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Van andere te vergoeden schade is de Raad niet gebleken. Aangezien voor de kosten gemaakt in de bezwaarfase en in eerste aanleg al tot vergoeding van de in die procedures gemaakte kosten is besloten staat de Raad enkel nog geplaatst voor de beoordeling van de in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie