< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking WAO-uitkering. De door de Raad geraadpleegde psychiater heeft in zijn rapport toegelicht dat de persoonlijkheidsstoornis van appellante leidt tot beperkingen en dat appellante niet in staat is een adequate afweging tussen op haar weg komende taken te maken en dientengevolge in een emotioneel labiele toestand terechtkomt die zich niet laat verenigen met loonvormende arbeid. De Raad volgt de geraadpleegde deskundige. Vernietiging wegens ondeugdelijke medische grondslag.

Uitspraak



08/3585 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 mei 2008, 07/2529 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. van der Brug, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door de Raad desverzocht heeft J. Rübsaam, psychiater te Amsterdam, bij rapport van

9 april 2010 van verslag en advies gediend.

Het Uwv heeft in reactie hierop een rapport van 28 mei 2010 van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel ingezonden.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige Rübsaam bij rapport van 11 oktober 2010 hierop gereageerd, waarop door het Uwv een rapport van 3 december 2010 is ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Brug. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster in een omvang van 20 uur in de week, is op 20 juni 1997 uitgevallen wegens psychische klachten. Na het voltooien van de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken is aan appellante, na de vaststelling door de verzekeringsarts dat bij haar sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij herbeoordeling in het jaar 2000 is de medische situatie van appellante onveranderd geacht. Na opnieuw een herbeoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 oktober 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante in staat werd geacht gedurende maximaal drie halve dagen per week werkzaamheden te verrichten in voor haar geschikte functies.

1.2. Op 21 juni 2006 heeft een verzekeringsarts opnieuw onderzoek verricht naar de medische situatie van appellante en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten. Deze mogelijkheden zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 oktober 2006. De verzekeringsarts heeft bij de opstelling van de FML rekening gehouden met door hem ontvangen inlichtingen van de behandelend orthopedisch chirurg J.H. Barentsz en de behandelend psychiater dr. R.W. Kupka. De arbeidsdeskundige heeft met inachtneming van de FML aan appellante functies geduid. Met de daaraan verbonden werkzaamheden kan appellante een zodanig inkomen verwerven dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 15%. Daarop is bij besluit van 9 maart 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 mei 2007 ingetrokken.

1.3. Nadat appellante tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, heeft de bezwaarverzekeringsarts, na kennisneming van nadere inlichtingen van psychiater Kupka, aanleiding gezien de FML aan te passen, hoofdzakelijk in die zin dat hij het aangewezen achtte een medische urenbeperking op te nemen tot maximaal 30 uur per week. De bezwaararbeidsdeskundige is op basis van deze aangepaste FML en na overleg met de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid onverminderd minder dan 15% bedraagt. Daarop is het bezwaar van appellante bij besluit van 15 augustus 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft, beslissende op het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat appellante onvoldoende aanknopingspunten heeft geboden voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een medisch deskundige te benoemen, zoals door appellante was verzocht, om nader onderzoek te doen naar haar gezondheidstoestand ten tijde in geding. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag liggende functies in overeenstemming zijn met de in de FML vastgestelde beperkingen. Het beroep heeft de rechtbank daarop ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat sprake is van een behoorlijk verschil van inzicht tussen de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts en de behandelend psychiater, zodat het in de rede had gelegen als de rechtbank een deskundige had benoemd. In het bijzonder heeft appellante in dit kader erop gewezen dat zonder nader onderzoek naar de specifieke oorzaak van de ernst van haar depressie en de gevolgen daarvan voor het dagelijks functioneren, in redelijkheid geen oordeel kan worden gegeven over de mate van haar psychische belastbaarheid. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de bijstelling van haar medische urenbeperking tot 30 uur per week in feite het kwetsbaar evenwicht waarin zij verkeerde nadelig heeft beïnvloed en tot een toename heeft geleid van de ernst van haar depressieve klachten. Daarbij heeft appellante er nog op gewezen dat bij haar sprake is van een recidiverende depressie.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad in het licht van de overige in de gedingstukken voorkomende gegevens van medische aard aanleiding gevonden zich van verslag en advies te laten dienen door de als deskundige geraadpleegde psychiater J. Rübsaam. Deze is bij rapport van 9 april 2010 tot de conclusie gekomen dat bij appellante ten tijde in geding (9 mei 2007) sprake is van een depressieve stoornis, eenmalig, chronisch, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven. Daarnaast is sprake van artrose van het kniegewricht en niet door zijn onderzoek geobjectiveerde astmatische klachten. De deskundige heeft zich niet kunnen verenigen met de in de FML vastgelegde beperkingen: zo is appellante meer beperkt in onder andere verdelen van aandacht en doelmatig handelen. Bovendien meent hij dat haar beperkingen van dien aard zijn dat appellante niet in staat is te achten op 9 mei 2007 haar aandacht op een hanteerbare manier te verdelen over taken behorend bij het arbeidsproces, haar eigen emotionele klachten en de minimale zorgen voor het sociale en gezinsleven.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel heeft in zijn commentaar van 28 mei 2010 aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen min of meer overeenkomen met de al bij het Uwv bekende gegevens. Hij heeft erop gewezen dat bij de beoordeling van de belastbaarheid de belasting voortvloeiend uit huishoudelijke en zorgtaken buiten beschouwing dient te blijven. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts, onder verwijzing naar het protocol depressieve stoornis, aangevoerd dat een matig ernstige depressieve stoornis niet zonder meer tot volledige arbeidsongeschiktheid leidt en dat de bij appellante gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis aan het verrichten van routinematige arbeid niet in de weg staat.

4.3. De deskundige Rübsaam heeft bij rapport van 11 oktober 2010 toegelicht dat de persoonlijkheidsstoornis van appellante leidt tot de door hem in zijn advies vermelde beperkingen en dat appellante niet in staat is een adequate afweging tussen op haar weg komende taken te maken en dientengevolge in een emotioneel labiele toestand terechtkomt die zich niet laat verenigen met loonvormende arbeid.

4.4. In zijn reactie van 3 december 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel gesteld dat hij niet overtuigd is geraakt dat appellante met haar beperkingen geen arbeid in de voor haar geschikte functies zou kunnen verrichten en dat hij aan de gedingstukken niet ontleent dat appellante ten tijde in geding kampte met de door de deskundige Rübsaam vermelde afweging.

4.5. In vaste rechtspraak van de Raad is neergelegd dat het advies van de door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden om dat niet te doen. Daaronder kan onder meer worden gerekend de omstandigheid dat de deskundige na kritiek op zijn advies geen blijk heeft gegeven dit zorgvuldig te hebben heroverwogen. In het onderhavige geval doet zich naar het oordeel van de Raad een zodanige uitzonderingssituatie niet voor. Te minder reden ziet de Raad om het advies van de deskundige dat appellante geen loonvormende arbeid kan verrichten niet te volgen, nu aan het rapport van 14 augustus 2007 van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal valt te ontlenen dat ook deze tot de conclusie was gekomen dat sprake is van een depressieve stoornis en een persoonlijkheidsstoornis en dat bij een zeer belastende psychiatrische voorgeschiedenis. Daarbij is het voor deze bezwaarverzekeringsarts niet duidelijk of de huidige psychopathologie rechtstreeks gerelateerd is aan appellantes voorgeschiedenis. De conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport dat bij appellante sprake is van een toegenomen psychomentale belastbaarheid is derhalve, zo begrijpt de Raad, met voorzichtigheid gegeven. De Raad stelt vast dat de deskundige Rübsaam die conclusie niet deelt en zijn daarvan afwijkend standpunt naar behoren heeft gemotiveerd.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust en met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en op € 874,- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2007 gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1518,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

IvR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature