< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vaststelling dagloon. Er is geen sprake van vorderbaar loon in de zin van artikel 2, vierde lid, van Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen . Geen beroep op het vertrouwensbeginsel

Uitspraak



10/2295 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2010, 09/297 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Steenbeek-Nauta, advocaat te Blaricum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Voor appellant was aanwezig mr. Steenbeek-Nauta. Voor het Uwv was aanwezig mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is onder meer werkzaam geweest bij een vennootschap te [Vestigingsplaats] aanvankelijk op basis van een fulltime dienstverband. Met ingang van 1 augustus 2005 is het dienstverband gewijzigd in een dienstverband van 20 uur per week. Het loon is verlaagd naar € 1.500,- bruto per maand. Deze wijziging is vastgelegd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 25 augustus 2005. Vanaf november 2005 heeft appellant geen loon meer ontvangen van de vennootschap. De vennootschap is op 4 juli 2006 is staat van faillissement verklaard. Met ingang van 21 augustus 2006 is aan appellant een uitkering krachtens de Ziektewet toegekend, berekend naar een dagloon van € 58,86. Dit dagloon is herzien bij besluit van 18 juni 2007 en nader vastgesteld op

€ 130,40.

1.2. Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant op

13 augustus 2008 recht is ontstaan op een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij heeft het Uwv het dagloon waarnaar de uitkering wordt berekend, vastgesteld op € 72,93. Dit dagloon is gebaseerd op het loon dat appellant volgens opgave van zijn werkgevers in de referteperiode van 1 augustus 2005 tot 1 augustus 2006 heeft ontvangen.

1.3. Tegen het besluit van 16 juli 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt, omdat hij zich niet kan verenigen met de hoogte van het vastgestelde dagloon. Daarbij heeft hij gewezen op het dagloon, waarnaar zijn Ziektewetuitkering werd berekend. Bij gelegenheid van de gehouden hoorzitting op 20 oktober 2008 heeft appellant verklaard dat de arbeidsovereenkomst van 25 augustus 2005 in verband met de slechte financiële positie van de vennootschap is gesloten. Iedereen zou loon inleveren. In de maand december zou bij goede cijfers alles teruggedraaid worden.

1.4. Bij besluit van 11 december 2008 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5. In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij met de vennootschap had afgesproken dat hij met ingang van 1 januari 2006 een loon zou ontvangen van € 2.700,- bruto per maand. Vanwege het faillissement is deze vordering niet inbaar. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Gelet op het dagloon waarnaar zijn Ziektewetuitkering werd berekend, mocht hij erop vertrouwen dat ook zijn uitkering op grond van de Wet WIA zou worden berekend naar een dagloon van € 130,40. Dit dagloon was immers vastgesteld op basis van loongegevens over dezelfde referteperiode.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 11 december 2008 ongegrond verklaard.

2.2. In haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Eiser heeft ter zitting erkend dat hij vóór of na het faillissement van zijn werkgever bij zijn werkgever geen vordering heeft ingediend voor het loon dat hij volgens de overeenkomst met ingang van 1 januari 2006 zou ontvangen. De stelling van eiser dat hij dit niet hoefde te doen, omdat met het faillissement van zijn werkgever op 4 juli 2006 de vordering direct opeisbaar werd, slaagt niet. In een faillissement dient de schuldeiser zijn (loon)vordering expliciet op de boedel te verhalen door deze bij de curator ter verificatie in te dienen. Eiser heeft erkend dat hij dat niet heeft gedaan. Door deze nalatigheid heeft de curator de vordering van eiser niet op juistheid gecontroleerd en erkend, waardoor verweerder niet heeft kunnen nagaan of de vordering ook daadwerkelijk bestond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat bedrag dan ook terecht niet bij de berekening van het dagloon van eiser betrokken.”

en

“Dat verweerder bij de vaststelling van het dagloon in het kader van de ZW wel is uitgegaan van het loon dat hem door zijn werkgever vanaf 1 januari 2006 was toegezegd, maakt niet dat eiser erop mocht vertrouwen dat verweerder dat bedrag ook bij de vaststelling van het dagloon in het kader van de Wet WIA zou betrekken. Er is niet gebleken van een ongeclausuleerde schriftelijke toezegging van een daartoe bevoegde ambtenaar dat bij de vaststelling van het dagloon in het kader van de WIA hetzelfde bedrag zou worden gehanteerd als hij bij de vaststelling van de ZW-uitkering heeft gedaan. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan aan de door het bestuursorgaan in het verleden bij de besluitvorming gemaakte fouten niet een rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend dat in de toekomst daarin wordt volhard (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 december 2009, LJN BK5925). De rechtbank verwerpt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel.”.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. Zoals uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (het Besluit) blijkt is uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon waarnaar een uitkering op grond van de Wet WIA wordt berekend, het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten. Het vierde lid van artikel 2 van het Besluit maakt hierop een uitzondering in die zin dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.

3.3. Ook naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellant met ingang van 1 januari 2006 aanspraak had op een hoger loon dan vermeld in de arbeidsovereenkomst van 25 augustus 2008. Met de rechtbank acht de Raad niet zonder betekenis dat appellant geen loonvordering heeft ingesteld, in het bijzonder dat hij geen loonvordering bij de curator in het faillissement heeft ingediend ter verificatie. Voorts vermeldt de arbeidsovereenkomst niet dat de loonsverlaging per 1 januari 2006 ongedaan gemaakt zal worden. Tevens kan er niet aan worden voorbijgegaan dat appellant zelf bij gelegenheid van de hoorzitting heeft verklaard dat de loonsverlaging ongedaan gemaakt zou worden, indien de financiële positie van de vennootschap dat zou toelaten. Uit niets blijkt dat aan deze voorwaarde werd voldaan. Integendeel, de omstandigheid dat appellant vanaf november 2005 geen loon heeft ontvangen en het faillissement per 4 juli 2006 wijzen in een geheel andere richting. Gelet hierop kan aan de overgelegde verklaring van de voormalige werkgever van appellant niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien. De Raad houdt het er dan ook voor dat er geen sprake is van vorderbaar loon in de zin van artikel 2, vierde lid, van het Besluit.

3.4. Met betrekking tot het ook in hoger beroep herhaalde beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel volstaat de Raad met te verwijzen naar de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank daarover. De Raad kan zich hierin geheel vinden.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

TM


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature