< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Loonsanctie: geen bevredigend re-integratieresultaat, zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Opschorten aanvraag WIA-uitkering. Procesbelang. Uitspraak 1: Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk dat de werkgeefster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Gelet op de omstandigheden acht de Raad niet aannemelijk dat in juli 2006 de re-integratie in het eigen bedrijf voldoende concreet perspectief bood op hervatting in werk dat aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer, zodat in redelijkheid van de werkgeefster kon worden gevergd dat zij het tweede spoor van het re-integratietraject zou inzetten. Naar het oordeel van de Raad is in de door de werkgeefster aangevoerde omstandigheden geen deugdelijke grond gelegen. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. De Raad concludeert dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan artikel 25, negende tot en met veertiende lid, van de Wet WIA heeft gegeven. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond. Uitspraak 2: Uit de wettelijke bepalingen volgt dat het opleggen van de loonsanctie meebrengt dat de behandeling van de uitkeringsaanvraag wordt opgeschort. De Raad ziet niet in dat - omgekeerd - het slagen van het (hoger) beroep tegen de handhaving van het opschortingsbesluit gevolgen kan hebben voor het loonsanctiebesluit. Ook is de Raad niet gebleken dat het slagen van het onderhavige (hoger) beroep voor de werkgeefster enige feitelijke betekenis kan hebben. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van procesbelang. Vernietiging uitspraak. Beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak



09/2708 WIA + 09/2710 WIA + 09/2968 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Werkgeefster B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: werkgeefster)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 17 april 2009, 08/454 en 08/674 (hierna: de aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

werkgeefster

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens de werkgeefster heeft mr. S. Kropman, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak in het geding 08/674.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. De werkgeefster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kropman en M. Bloemhard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma en mr. B.S. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

09/2710 + 09/2968 WIA

1. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken, waarin [naam werknemer] (hierna: werknemer) jegens de werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte (de wachttijd), met 52 weken verlengd. De verlenging (ook aangeduid als: loonsanctie) is opgelegd op de grond dat geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt en zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Bij besluit van 13 december 2007 (bestreden besluit 1) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 (08/674) is het beroep van de werkgeefster gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, het besluit van 21 december 2006 herroepen, de verlenging van het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon vastgesteld op 50 weken en zes dagen en bepaald dat aangevallen uitspraak 1 in de plaats treedt van bestreden besluit 1. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het Uwv aan de werkgeefster het betaalde griffierecht vergoedt.

3. In hoger beroep heeft werkgeefster betwist dat geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt en zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de verlenging van het loondoorbetalingstijdvak ten onrechte op 50 weken en zes dagen heeft vastgesteld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De werknemer is in verband met hersenbloedingen per 13 januari 2005 uitgevallen vanuit zijn werk van projectleider. De werknemer heeft vanaf november 2005 langzaamaan hervat in het eigen werk. Per oktober 2006 heeft hij in het bedrijf van werkgeefster gewerkt in de functie van installatietechnicus/montageleider.

4.2. De werkgeefster heeft gesteld dat het resultaat bevredigend was, aangezien bij het einde van de wachttijd hervatting in passend werk met een structureel karakter is gerealiseerd. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt. Overwogen is dat bij de werkhervatting in het eigen werk en in de functie van installatietechnicus geen loonwaarde is toegekend. De productiviteit van de werknemer is sterk achtergebleven. Pas na aandringen van de werknemer heeft de werkgeefster in december 2006 de loonwaarde van het werk op 20% gesteld. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter is vermeld dat van een bevredigend resultaat sprake is als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Gelet daarop is de Raad - evenals de rechtbank - van oordeel dat aannemelijk is dat geen bevredigend

re-integratieresultaat is bereikt.

4.3. In de Beleidsregels is tot uitgangspunt genomen dat indien aan het eind van het eerste ziektejaar blijkt dat de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, mag worden verwacht dat werkgever en werknemer - naast de wellicht nog lopende activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf - tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde: tweede spoor). Re-integratie-activiteiten met het oog op werk bij een andere werkgever kunnen slechts achterwege blijven als er nog concreet perspectief bestaat op hervatting in het eigen bedrijf. In aangevallen uitspraak 1 is geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om de Beleidsregels rechtens niet aanvaardbaar te achten. De werkgeefster heeft betoogd dat dit gedeelte van de Beleidsregels in strijd is met artikel 7:658a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In haar visie is re-integratie bij een andere werkgever pas aan de orde indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en geen andere passende arbeid bij de eigen werkgever voorhanden is. De werkgeefster meent dan ook dat zij niet verplicht was om het tweede spoor van het re-integratietraject in te zetten. Het Uwv heeft betoogd dat de scheiding tussen het eerste en tweede spoor niet zo scherp moet worden getrokken, omdat daardoor re-integratiekansen verloren kunnen gaan.

4.4. In zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3717, heeft de Raad geoordeeld dat de Beleidsregels in beginsel niet in strijd komen met de artikelen 65 en 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en dat zij aansluiten bij artikel 7:658a van het BW . Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat blijkens de wetsgeschiedenis ook aan artikel 7:658a, eerste lid, van het BW ten grondslag ligt dat de re-integratie bij een andere werkgever moet worden bevorderd als niet te verwachten is dat de werknemer binnen een redelijke termijn het werk bij de eigen werkgever kan hervatten (TK 2000-2001, 27 678, nr. 13, pag. 3). De Raad ziet in dit geval geen aanleiding om tot een ander oordeel over de Beleidsregels te komen. In de genoemde uitspraak heeft de Raad voorts overwogen dat de werkgever naast het verrichten van re-integratie-inspanningen ten aanzien van het eerste spoor gehouden kan zijn de mogelijkheden bij een andere werkgever te bezien. De Raad verwerpt dan ook de stelling van de werkgeefster dat zij niet gehouden kon zijn een tweede-spoortraject in te zetten voordat vaststond dat het eerste spoor niet meer aan de orde was.

4.5. In aangevallen uitspraak 1 is het standpunt van het Uwv gevolgd dat de werkgeefster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de werkgeefster in de periode van oktober 2005 tot juli 2006 onvoldoende activiteiten heeft ondernomen om tot loonvormende arbeid van de werknemer te komen en ten onrechte geen re-integratieactiviteiten in het tweede spoor heeft ingezet. Daarbij is overwogen dat in die periode onduidelijk was of in het bedrijf van de werkgeefster voor de werknemer voldoende duurzame arbeidsmogelijkheden aanwezig waren. De werkgeefster heeft gesteld dat het eerste spoor voldoende concreet perspectief op werkhervatting bood.

4.6. De Raad volgt de werkgeefster niet in haar zienswijze dat het werk van installatietechnicus passend was. Anders dan de werkgeefster stelt, heeft de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige van de arbodienst in haar rapportage van 4 juli 2006 slechts vermeld dat dit werk mogelijk passend is. Voor het volgen van de zienswijze van de werkgeefster ziet de Raad - in navolging van hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen - geen aanknopingspunten in het deskundigenoordeel van 28 maart 2007. In het deskundigenoordeel is advies gegeven over de vraag of de werknemer per 5 maart 2007, derhalve geruime tijd na het einde wachttijd, om veiligheidsoverwegingen op non-actief mocht worden gesteld. Naar het oordeel van de Raad speelt de ontkennende beantwoording van deze vraag in dat deskundigenoordeel geen rol bij de - hier aan de orde zijnde - beoordeling of de werkgeefster in de periode voor het einde van de wachttijd voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4.7. Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk dat de werkgeefster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Uit de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundige en de onderliggende stukken leidt de Raad af dat de werkgeefster te lang genoegen heeft genomen met werkzaamheden zonder loonwaarde, dan wel met een loonwaarde van minder dan 20% en niet is ingegaan op adviezen van de arbodienst om het tweede spoor in te zetten of daarvoor voorbereidingen te treffen. De Raad wijst op het advies van 29 augustus 2005 van de arbodienst waarin is voorgesteld te onderzoeken of er structurele mogelijkheden zijn in vervangende werkzaamheden tegen een zo hoog mogelijke loonwaarde en voorts op een advies van 8 mei 2006 van de arbodienst om het tweede spoor in te zetten. In de periodieke evaluatie van 25 oktober 2006 is vermeld dat volgens de werkgeefster de hervatting in het werk van installatietechnicus voor vier dagen per week niet goed gaat. In het gesprek van 6 december 2006 is namens de werkgeefster tegenover de arbeidsdeskundige verklaard dat de werkgeefster twijfelt aan de passendheid van deze functie. Gelet op deze omstandigheden acht de Raad niet aannemelijk dat in juli 2006 de re-integratie in het eigen bedrijf voldoende concreet perspectief bood op hervatting in werk dat aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer, zodat in redelijkheid van de werkgeefster kon worden gevergd dat zij het tweede spoor van het re-integratietraject zou inzetten.

4.8. De werkgeefster heeft gesteld dat het vereiste van afronding van een re-integratietraject in strijd is met het reparatoire karakter van de loonsanctie. Volgens de werkgeefster mag de loonsanctie niet verder strekken dan hetgeen in het tijdvak van 104 weken tot de mogelijkheden behoorde en was afronding van een adequaat re-integratietraject niet mogelijk. Voorts is betoogd dat dit vereiste meebrengt dat in strijd met het reparatoire karakter aan de werkgeefster resultaateisen worden gesteld. De Raad constateert dat het vereiste van een afgerond re-integratietraject niet uitdrukkelijk aan bestreden besluit 1 ten grondslag is gelegd. De werkgeefster wordt verweten dat verdere acties om te komen tot loonvormende arbeid in het eerste spoor zijn uitgebleven en dat een tweede-spoortraject niet is ingezet. Voorts wijst de Raad op zijn eerdergenoemde uitspraak van 18 november 2009, waarin is overwogen dat de vaststelling door een arbeidsdeskundige dat geen sprake is van een afgerond traject, niet inhoudt dat wordt uitgegaan van een resultaatsverplichting. Mede gelet op hetgeen de Raad hiervoor onder 4.4 heeft overwogen, leiden de stellingen van de werkgeefster niet tot een ander oordeel ten aanzien van de re-integratie-inspanningen.

4.9. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft overwogen dat voor het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond aanwezig is. De rechtbank heeft deze overweging gevolgd. De omstandigheid dat de werkgeefster erop vertrouwde dat de werknemer duurzaam zou hervatten is niet als een deugdelijke grond te beschouwen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de werkgeefster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tijdig een deskundigenoordeel te vragen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de onzekere prognose van de arbeidsmogelijkheden en het risico dat de arbeidsverhouding onder druk zou komen te staan geen deugdelijke grond opleveren. Naar het oordeel van de Raad is in de door de werkgeefster aangevoerde omstandigheden geen deugdelijke grond gelegen. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.

5. De Raad overweegt voorts als volgt.

5.1. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 geoordeeld dat de duur van de loonsanctie in strijd is met artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA . De rechtbank heeft het betoog van de werkgeefster gevolgd dat de loonsanctie met acht dagen moet worden bekort nu deze uiterlijk op 13 december 2006, zijnde zes weken voor het einde van de wachttijd per 24 januari 2007, had moeten worden opgelegd, terwijl eerst op 21 december 2006 het primaire loonsanctiebesluit is genomen. Daaruit heeft de rechtbank de gevolgtrekking gemaakt dat de verlenging van het tijdvak van 104 weken op 50 weken en zes dagen moet worden vastgesteld. Ter onderbouwing van haar oordeel heeft de rechtbank gewezen op het belang van de werkgeefster om de maximale duur van de loonsanctie te weten. De rechtbank heeft overwogen dat, indien geen melding volgt dat de tekortkomingen zijn hersteld, rechtsbescherming tegen de duur van de loonsanctie ontbreekt.

5.2. Het Uwv heeft in hoger beroep gesteld dat bij bestreden besluit 1 juiste toepassing is gegeven aan artikel 25, negende tot en met veertiende lid, van de Wet WIA . Indien het loonsanctiebesluit te laat is genomen, dient deze periode van overschrijding te worden afgetrokken van het tijdvak waarin de loonsanctie doorloopt nadat het Uwv heeft vastgesteld dat de tekortkoming is hersteld. In de zienswijze van het Uwv volgt uit het systeem van de wet dat geen aftrek plaatsvindt indien de werkgever geen melding doet dat de tekortkoming in de re-integratieverplichtingen is hersteld. Volgens het Uwv heeft de werkgever daarmee zelf in de hand hoe lang de loonsanctie in een dergelijk geval doorloopt.

5.3. In artikel 25, veertiende lid, eerste volzin, van de Wet WIA is - voor zover hier van belang - bepaald dat het verlengde tijdvak van de loondoorbetaling eindigt zes weken nadat is vastgesteld dat de tekortkoming is hersteld. In de tweede volzin van het veertiende lid is bepaald dat indien het Uwv het loonsanctiebesluit of het bekortingsbesluit te laat geeft, het tijdvak zoveel eerder eindigt als de beschikking later is afgegeven.

5.4. Aan de wetsgeschiedenis (TK 2007-2008, 31 229, nr. 3, pag. 11) ontleent de Raad het volgende: “Indien alsnog herstel van de tekortkoming plaatsvindt wordt de door het Uwv in eerdere instantie veroorzaakte vertraging alsnog gecompenseerd. Indien meerdere beschikkingen met betrekking tot eenzelfde periode van loondoorbetaling te laat worden afgegeven wordt per overschrijding een korting op het tijdvak vastgesteld.” De Raad constateert dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat een overschrijding van de termijn bij het afgeven van de beslissing waarbij is vastgesteld dat de werkgever niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, moet worden gecompenseerd. Evenwel wordt blijkens de tekst van artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA en de daarbij gegeven toelichting de compensatie slechts gerealiseerd indien alsnog herstel van de tekortkoming heeft plaatsgevonden.

5.5. In de uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3717, heeft de Raad geoordeeld over de gevolgen van het niet tijdig nemen van een bekortingsbesluit naar aanleiding van een melding dat de tekortkoming in de re-integratieverplichtingen is hersteld. De Raad heeft overwogen: “Uit artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA volgt dat aan het te laat nemen van een besluit in dit kader slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming plaatsvindt.”

5.6. De Raad overweegt dat in artikel 25, veertiende lid, tweede volzin, van de Wet WIA het loonsanctiebesluit en het afwijzende besluit naar aanleiding van een herstelmelding op één lijn zijn gesteld wat betreft de gevolgen van vertraging bij het afgeven van deze besluiten. Een consistente toepassing van de genoemde wettelijke bepalingen brengt naar het oordeel van de Raad mee dat ook aan het te laat nemen van het loonsanctiebesluit slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming heeft plaatsgevonden. De zienswijze van het Uwv is met dit oordeel in overeenstemming. De Raad concludeert dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan artikel 25, negende tot en met veertiende lid, van de Wet WIA heeft gegeven.

6. Uit het voorgaande volgt dat aangevallen uitspraak 1 wegens strijd met artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA moet worden vernietigd. Het beroep moet alsnog ongegrond worden verklaard.

09/2708 WIA

7.1. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het Uwv de behandeling van de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet WIA opgeschort.

7.2. Het bezwaar dat de werknemer tegen dit besluit heeft gemaakt is bij besluit van 23 april 2007 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

8. Tegen dit besluit heeft de werkgeefster beroep ingesteld. Bij aangevallen uitspraak 2 (08/454) is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in aangevallen uitspraak 1 is geoordeeld dat de loonsanctie terecht is opgelegd. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de behandeling van de WIA-aanvraag op goede gronden is opgeschort.

9. De werkgeefster is in hoger beroep gekomen en heeft het standpunt ingenomen dat de aanvraag ten onrechte is opgeschort omdat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd.

10. De Raad dient te beoordelen of sprake is van een belang bij de behandeling van het (hoger) beroep.

10.1. Namens de werkgeefster is op de zitting verklaard dat haar belang bij het (hoger) beroep is gelegen in het voorkomen van problemen in samenhang met de procedure tegen de loonsanctie.

10.2. Uit vaste jurisprudentie van de Raad - waaronder zijn uitspraak van 1 juni 2007, LJN BA6367 - volgt dat sprake is van voldoende procesbelang, indien het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren daarvan voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben.

10.3. Ingevolge artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA wordt de behandeling van de aanvraag opgeschort indien het UWV toepassing geeft aan artikel 25, negende lid, of artikel 26, derde lid, tweede volzin van de Wet WIA. In de laatstgenoemde bepaling is de bevoegdheid van het Uwv neergelegd om aan (eigen-risicodragende) werkgevers een loonsanctie op te leggen.

10.4. Uit de genoemde wettelijke bepalingen volgt dat het opleggen van de loonsanctie meebrengt dat de behandeling van de uitkeringsaanvraag wordt opgeschort. De Raad ziet niet in dat - omgekeerd - het slagen van het (hoger) beroep tegen de handhaving van het opschortingsbesluit gevolgen kan hebben voor het loonsanctiebesluit. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat het slagen van het onderhavige (hoger) beroep voor de werkgeefster enige feitelijke betekenis kan hebben. Naar het oordeel van de Raad is derhalve geen sprake van procesbelang.

11. Het voorgaande brengt mee dat aangevallen uitspraak 2 dient te worden vernietigd en het beroep van de werkgeefster tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het beroep van de werkgeefster tegen bestreden besluit 1 ongegrond;

Vernietigt aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep van de werkgeefster tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

EK


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature