< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering WAZ-uitkering. De Raad kan de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het bruto (in plaats van netto) terugvorderen van het onverschuldigd betaalde bedrag onderschrijven. De Raad voegt daar nog aan toe dat het Uwv appellant in het besluit tot terugvordering van 26 juli 2006 uitdrukkelijk gewezen heeft op de mogelijkheid van het terugvragen van de ingehouden loonheffing bij terugbetaling vóór 31 december van dat jaar. Ook met de overwegingen van de rechtbank betreffende het overschrijden van de beslistermijn en het – overigens alleen in het primaire terugvorderingsbesluit – ontbreken van de vermelding van de wettelijke grondslag, kan de Raad instemmen. Het Uwv heeft voldoende toegelicht uit welke onderdelen en bedragen het totale bedrag van de terugvordering is opgebouwd.

Uitspraak



08/4396 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s- Hertogenbosch van 16 juni 2008, 07/3360 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 20 juli 2009 een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. Appellant was niet aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant, voorheen zelfstandig vishandelaar, is per 10 april 2000 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluiten van respectievelijk 9 juni 2006 en 16 juni 2006 heeft het Uwv appellant bericht dat zijn inkomsten uit werk of onderneming zodanig zijn, dat zijn WAZ-uitkering over de periode 1 januari 2005 tot 1 januari 2006 dient te worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% respectievelijk per 1 maart 2006, naar 25 tot 35%. Appellant heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij besluit van 26 juli 2006 heeft het Uwv over de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 december 2005 respectievelijk over de periode van 1 maart tot 1 april 2006 een bedrag van, in totaal, € 2.963,31 aan ten onrechte betaalde uitkering ingevolge de WAZ teruggevorderd. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

6 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat de besluiten van 9 en 16 juni 2006 formele rechtskracht hebben gekregen. In verband daarmee kunnen de bezwaren van appellant met betrekking tot de hoogte van het in aanmerking te nemen maatmanloon niet (in deze procedure) aan de orde komen. De gronden van appellant betreffende het niet in acht nemen van de van toepassing zijnde beslistermijn door het Uwv en het niet vermelden van de wettelijke grondslag in het primaire terugvorderingsbesluit heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank is, onder verwijzing naar de Beleidsregel terug- en invordering (Stcrt. 1999, 75), van oordeel, dat het Uwv binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven door de onverschuldigd betaalde uitkering bruto terug te vorderen. Terugvordering is, tot slot, een wettelijke verplichting voor het Uwv en van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken, aldus de rechtbank.

3. Appellant heeft in hoger beroep de door de rechtbank verworpen gronden herhaald en daaraan toegevoegd dat hij wel bezwaar heeft gemaakt tegen de door de rechtbank genoemde besluiten van 9 en 16 juni 2006. Ook heeft hij er bezwaar tegen gemaakt dat de rechtbank zijn verzoek tot het uitstellen van de zitting, omdat hij op 23 mei 2008 niet bij de desbetreffende zitting aanwezig kon zijn, zonder meer heeft afgewezen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad merkt allereerst op, dat ingevolge de artikelen 12 en 14 van de Procesregeling bestuursrecht een verzoek om uitstel respectievelijk om verdaging van de behandeling ter zitting slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt toegewezen indien daarom schriftelijk en gemotiveerd is verzocht. Gelet op deze bepalingen behoefde de rechtbank, nu in het verzoek van appellant slechts verwezen werd naar “familieverplichtingen”, naar het oordeel van de Raad geen aanleiding te zien tot het inwilligen van diens verzoek.

4.3. Appellant heeft weliswaar gesteld wel degelijk bezwaar te hebben gemaakt tegen de anticumulatie-besluiten, maar terzake geen bewijs geleverd; zulks blijkt ook in het geheel niet uit de aanwezige gedingstukken. Dit betekent dat de rechtbank met recht van de onaantastbaarheid van bedoelde besluiten is uitgegaan. De gronden van appellant met betrekking tot het eventueel onjuist vaststellen van het maatmanloon en de eventuele onjuiste voorlichting over de mate waarin hij mocht bijverdienen moeten dan ook onbesproken blijven.

4.4. De Raad kan de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het bruto (in plaats van netto) terugvorderen van het onverschuldigd betaalde bedrag onderschrijven. De Raad voegt daar nog aan toe dat het Uwv appellant in het besluit tot terugvordering van 26 juli 2006 uitdrukkelijk gewezen heeft op de mogelijkheid van het terugvragen van de ingehouden loonheffing bij terugbetaling vóór 31 december van dat jaar.

4.5. Ook met de overwegingen van de rechtbank betreffende het overschrijden van de beslistermijn en het – overigens alleen in het primaire terugvorderingsbesluit – ontbreken van de vermelding van de wettelijke grondslag, kan de Raad instemmen.

4.6. De Raad merkt nog op dat door het Uwv voldoende is toegelicht uit welke onderdelen en bedragen het totale bedrag van de terugvordering is opgebouwd.

4.7. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 63, vierde lid, van de WAZ is de Raad niet gebleken.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature