< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking WAO-uitkering. Appellant behoort de groep personen op wie tot 22 februari 2007 het aangepaste Schattingsbesluit van toepassing was. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak



08/5985 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 september 2008, 07/2774 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 juni 2009 heeft het Uwv een nadere reactie van de bezwaararbeidskundige R.C. van Hooff, gedateerd 9 juni 2009, doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2009 waar appellant - zoals aangekondigd - niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van de Meer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 september 2006 tot intrekking per 27 november 2006 van de aan appellant verleende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht, ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak is het daartegen gerichte beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, evenwel tevens - naast bepalingen over proceskosten en griffierecht - onder bepaling dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij gezien zijn geboortedatum ten onrechte is herbeoordeeld volgens de aangepaste, strengere keuringseisen van het Schattingsbesluit en voorts dat het Uwv ten onrechte de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op minder dan 15%, zodat in de aangevallen uitspraak ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4.1. In het verweerschrift heeft het Uwv naar aanleiding van eerstvermelde grief het volgende opgemerkt:

“Per 22 februari 2007 heeft de regering de herbeoordelingsregels aangepast. Het gaat hier om mensen geboren na 1 juli 1954 en voor 2 juli 1959. Tot 22 februari 2007 bleven de regels van het aangepaste Schattingsbesluit gelden. Na 22 februari 2007 gelden ook voor deze groep mensen de regels van het oude Schattingsbesluit. Naar aanleiding van dit regeringsbesluit heeft de (her)beoordeling per 27 november 2006 volgens de regels van het aangepaste Schattingsbesluit plaatsgevonden. Per 22 februari 2007 zijn de regels van het oude Schattingsbesluit toegepast. Wij zijn van mening dat onze beoordeling op basis van de juiste regels heeft plaatsgevonden.”

4.2. Appellant is geboren op [datum] 1955 en behoort derhalve tot de groep personen op wie tot 22 februari 2007 het aangepaste Schattingsbesluit van toepassing is geweest, zoals het Uwv hiervoor heeft uiteengezet. De Raad heeft in zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312, reeds overwogen dat het Uwv in een geval als hier aan de orde terecht aan dit aangepaste (strengere) Schattingsbesluit toetst voor zover het betreft de periode vóór 22 februari 2007. De desbetreffende grief van appellant faalt derhalve.

5. Wat betreft de medische en arbeidskundige aspecten van de onderhavige afschatting heeft appellant in hoger beroep volstaan met de enkele verwijzing naar hetgeen hij heeft aangevoerd in bezwaar en in beroep. Nadere informatie - met name medische - is door appellant niet verstrekt.

6. Er zijn geen aanknopingspunten dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. De bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn heeft in zijn rapportage van 7 februari 2007 de voor appellant geldende beperkingen zoals die blijken uit de Functionele Mogelijkheden Lijst van 22 augustus 2007 voldoende gemotiveerd. Hierbij merkt de Raad nog op dat niet is gebleken dat appellant ten tijde hier van belang onder medische behandeling stond, of medicijnen gebruikte en dat voorts kan worden vastgesteld dat appellant sinds 1 maart 2005 gedurende 20 uur per week in de - qua belasting toch als zwaar aan te merken - aangepaste functie van molenaar op een korenmolen is gaan werken.

7.1. In eerdergenoemde nadere reactie van de bezwaararbeidsdeskundige van 9 juni 2009 is geconcludeerd dat de geduide functie van vertegenwoordiger (sbc-code 516160) alsnog dient te vervallen, omdat er sprake is van bovenmatige arbeidsuren per week. De resterende functies leiden vervolgens tot een aangepaste mediaanwaarde van € 12,90 per uur. Rekening houdend met de reductiefactor 0,95 komt het theoretisch verdienvermogen op € 12,90 x 0,95 = € 12,26 per uur. Gelet op het maatmanloon van € 14,02 per uur levert dit voor appellant een verlies aan verdienvermogen op van 12,55%, hetgeen minder is dan het wettelijk vereiste minimumpercentage van 15 om voor een uitkering ingevolge de WAO in aanmerking te kunnen komen.

7.2. Naar het oordeel van de Raad kan de nadere reactie van de bezwaararbeidsdeskundige worden onderschreven. In dit verband stelt de Raad tevens vast dat uit de brief van het Uwv van 10 juni 2009 blijkt dat de thans resterende functies eerder, tijdig aan appellant zijn voorgehouden. Het betreft hier de functies artsenbezoeker (sbc-code 694020), schadecorrespondent (sbc-code 516080) en telefonist/receptionist (sbc-code 315120). De bij deze functies naar voren gekomen signaleringen zijn naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht.

7.3. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van appellant voor de hem voorgehouden functies van artsenbezoeker, schadecorrespondent en telefonist/receptionist met de rapporten van de arbeidsdeskundige E.C. van ’t Voort van 4 september 2006 en van de bezwaararbeidsdeskundige R.C. Hooff van 29 augustus 2007 en 4 september 2007 voldoende is toegelicht.

7.4. Op grond van hetgeen overwogen onder 6 t/m 7.2 komt de Raad tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

KR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature