< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Strafontslag. Plichtsverzuim. Bevoegdheid. Met verklaringen van collega’s dient door de dienstleiding voorzichtig te worden omgegaan. Geen nader onderzoek. Het aangetoonde plichtsverzuim is onvoldoende om onvoorwaardelijk strafontslag te kunnen rechtvaardigen.

Uitspraak



07/2668 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 maart 2007, 05/3500 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Algemeen Directeur van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: algemeen directeur)

Datum uitspraak: 27 november 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

De algemeen directeur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2008. Appellante is vertegenwoordigd door mr. A.E.M. van Wessum, werkzaam bij SRK rechtsbijstand. De directie van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: directie) heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.C.M. Paumen, advocaat te ’s-Gravenhage, en door mr. H. Pasman, werkzaam bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is op 1 maart 1998 in dienst getreden als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling].

1.2. Bij besluit van 21 januari 2005 is aan appellante met ingang van 24 januari 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, op basis van artikel 123, eerste lid, aanhef en onder i, van het Rechtspositiereglement RDW. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2005 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de aan appellante verweten gedragingen tezamen ernstig plichtsverzuim opleveren, waaraan de straf van ontslag niet onevenredig is.

3.1. Ambtshalve overweegt de Raad eerst dat het primaire besluit en het bestreden besluit zijn genomen door de Algemeen Directeur van de RDW. Blijkens artikel 1, onder c, van de Mandaatregeling Human Resource bevoegdheden RDW blijft echter het opleggen van disciplinaire straffen ingevolge artikel 123 van het Rechtspositiereglement RDW voor-behouden aan de directie. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder c, onder 1, van het Directiereglement RDW blijft aan de directie voorbehouden de afdoening en onder-tekening van stukken inzake beslissingen op bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht in personele aangelegenheden. Hieruit volgt naar het oordeel van de Raad dat beide besluiten onbevoegd zijn genomen. Dat in artikel 3 van het Directiereglement RDW is bepaald dat de RDW in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door de Algemeen Directeur kan hieraan, anders dan namens de directie is betoogd, niet afdoen. Die bepaling ziet immers niet op de directie als bestuursorgaan, maar op de RDW als rechtspersoon.

3.2. De Raad stelt vast dat de directie van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: directie) bij brief van 17 juni 2008 de Raad heeft laten weten dat voor zover vereist bedoelde besluiten worden bekrachtigd. Die bekrachtiging kan aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De Raad zal dit echter in dit geval niet doen, gelet op wat hierna wordt overwogen.

4. De Raad overweegt inhoudelijk voorts naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht als volgt.

4.1. Aan appellante worden kort samengevat de volgende gedragingen verweten:

- het voorlezen van privé e-mail van collega B aan twee andere collega’s;

- het bestellen van twee digitale klokken op naam van een collega, waarbij één klok is aangetroffen in de kamer van appellante, de andere klok spoorloos is, en het afleggen van wisselende verklaringen hierover;

- het zetten van de paraaf van een collega op de eigen verlofkaart;

- het roddelen over collega’s en het zich daardoor niet houden aan de waarschuwing in de brief van 3 oktober 2002.

Appellante heeft al deze gedragingen ontkend.

4.2. De directie heeft haar besluitvorming gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd door de personeelsadviseur van de RDW, waarbij verschillende collega-secretaresses van appellante zijn gehoord. De verslaglegging heeft plaatsgevonden door de human resource consulent van de RDW. Uit die verslaglegging blijkt dat bij aanvang van de gesprekken is meegedeeld dat de informatie als zeer vertrouwelijk wordt aangemerkt, maar wel wordt gemeld aan het bevoegd gezag. Onder verwijzing naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 6 maart 2008, LJN BC7003, overweegt de Raad dat met verklaringen van collega’s door de dienstleiding voorzichtig dient te worden omgegaan; zij kunnen slechts goed op hun waarde geschat worden tegen de achtergrond van de bestaande verhoudingen in de desbetreffende groep medewerkers. In beginsel zal het dus nodig zijn de inhoud van zulke verklaringen in een nader onderzoek te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokkene zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem verweten wordt. Dit geldt zeker daar waar, zoals in dit geval, sprake is van een situatie waarin het, zacht gezegd, niet boterde tussen de betrokken collega’s. De Raad constateert dat zodanig nader onderzoek hier niet heeft plaatsgevonden.

4.3. Op grond van de verklaringen van twee collega’s (S en J) acht de Raad voldoende aannemelijk dat appellante achter de computer van collega B is gaan zitten en vervolgens uit de mailbox van die collega privé mail, onder meer betreffende diens echtscheiding , aan andere collega’s heeft voorgelezen. Met de directie is de Raad van opvatting dat die gedraging de grenzen van het fatsoen overschrijdt en niet strookt met hetgeen van een goed ambtenaar mag worden verwacht. De Raad is van oordeel dat de directie dit gedrag terecht heeft aangemerkt als plichtsverzuim als bedoeld in artikel 122, tweede lid, van het Rechtspositiereglement RDW.

4.4. Met betrekking tot het klokkenincident overweegt de Raad dat hij op grond van de gedingstukken niet heeft kunnen vaststellen dat en wanneer appellante twee digitale klokken op naam van een collega heeft besteld. Objectieve bewijzen daarvan zijn niet voorhanden. Blijkens de verklaring ter zitting meent de directie dat bewijs te hebben gevonden in de e-mail afkomstig van de inkoper facilitair bedrijf, die meedeelt dat de klokken op naam van appellante zijn besteld. Waar deze persoon zijn wetenschap vandaan heeft blijkt niet en kon ook ter zitting niet duidelijk worden gemaakt. De overige gedingstukken zoals pakbonnen van de leverancier en bestelformulieren hebben naar de Raad heeft vastgesteld geen betrekking op de klokken. De Raad wijst erop dat in het ambtenarentuchtrecht weliswaar niet de strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, maar dat anderzijds ook voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Daaraan is hier wat betreft het bestellen van de klokken niet voldaan. De Raad merkt voorts op dat het door de directie uitgesproken vermoeden dat appellante de tweede klok heeft ontvreemd in geen enkel opzicht is onderbouwd. De Raad komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat dit aan appellante verweten plichtsverzuim niet kan worden vastgesteld.

4.5. Aan appellante wordt voorts verweten dat zij de paraaf van collega S heeft gezet op haar eigen verlofkaart. Deze collega heeft dat verklaard, appellante heeft het ontkend. De paraaf ziet op het verwerken van opgenomen en geregistreerde verlofdagen in het geautomatiseerde systeem. Appellante heeft verklaard dat afspraken tussen de secretaresses bestaan over de verwerking van hun eigen verlofkaart, collega S heeft het bestaan van die afspraken ontkend. De Raad is van oordeel dat ook ten aanzien van dit verwijt niet kan worden vastgesteld dat de omstreden besluitvorming voldoet aan de eisen die hiervoor in 4.2 en 4.4 zijn weergegeven.

4.6. Het verwijt dat appellante zich schuldig maakt aan de geroddel acht de Raad met appellante te vaag. De concrete voorbeelden daarvan ontbreken in de besluitvorming. Voor zover daarbij ter zitting is verwezen naar de verklaringen van de collega’s in de gesprekken die met de personeelsfunctionaris zijn gevoerd, kan de Raad onvoldoende uitsluiten dat die verklaringen niet kunnen en moeten worden bezien in het licht van de bestaande slechte verhoudingen tussen de secretaresses onderling en dus niet als deugdelijk vastgesteld gegeven kunnen worden beschouwd.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat slechts de onder 4.3 besproken gedraging als bewezen plichtsverzuim valt aan te merken. De directie was, gelet daarop, bevoegd appellante disciplinair te straffen. De Raad is echter van oordeel dat dit plichtsverzuim onvoldoende is om onvoorwaardelijk strafontslag te kunnen rechtvaardigen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen de aard van het plichtsverzuim en de omstandigheid dat appellante niet eerder disciplinair is gestraft. De brief van oktober 2002 waarin aan alle secretaresses naar aanleiding van eerdere strubbelingen is opgedragen zich te houden aan werkafspra-ken en zorg te dragen voor een zakelijke relatie acht de Raad onvoldoende om daarover anders te oordelen.

5. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad overgaan tot vernietiging van het bestreden besluit. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad voorts aanleiding het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te herroepen. Partijen zullen, nu appellante als gevolg hiervan geacht wordt in dienst te zijn gebleven bij de RDW, maar zij inmiddels elders werkt en niet wenst terug te keren, in onderling overleg tot een andere beëindiging van het dienstverband moeten komen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de directie op grond van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 april 2005 gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 21 januari 2005;

Veroordeelt de directie in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,- te betalen door de RDW;

Bepaalt dat de RDW aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2008.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature