< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Vernietiging boetenota's. Schending redelijke termijn.

Uitspraak



07/4887 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 10 juli 2007, 05/3285 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende),

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens belanghebbende heeft mr. L.E. Bindemann, werkzaam bij Mazars Paardekooper Hoffman te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak onder nr. 07/4888, ten name van [naam B.V.], plaatsgevonden op 26 juni 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Scholtes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Belanghebbende is niet verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorzover in hoger beroep relevant heeft de rechtbank ten aanzien van de boetenota’s vastgesteld dat sprake is van schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het van het Europees Verdrag tot bescherming van rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2005, LJN: AO9006, heeft de rechtbank daarbij het uitgangspunt gehanteerd dat de berechting van de zaak niet binnen een redelijke termijn is geschied indien niet binnen twee jaar na de aankondiging van de boetes door de rechtbank uitspraak is gedaan. Hiervan kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Nu de rechtbank van bijzondere omstandigheden niet was gebleken, heeft zij de boete met 10% gematigd.

2. Het hoger beroep richt zich tegen de vaststelling van de rechtbank dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM .

3. De Raad verenigt zich met het onder 1 vermelde oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dit oordeel hebben geleid. Vaststaat dat in het onderhavige geval de termijn van twee jaar tussen de aankondiging van de boete en de uitspraak van de rechtbank is overschreden. Met de rechtbank stelt de Raad voorts vast dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de tweejaarstermijn rechtvaardigen. De omstandigheid dat de rechtbank vanwege de samenhang tussen de zaken van belanghebbende en [naam B.V.] uit efficiencyoverwegingen heeft gekozen voor een gevoegde behandeling van de beroepen, vormt in het onderhavige geval geen reden om een bijzonder omstandigheid aan te nemen. In de proceshouding van belanghebbende is ook geen rechtvaardigingsgrond gevonden voor de lange duur van de procedure. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank terecht de boetenota’s heeft vernietigd op de grond dat de redelijke termijn is overschreden.

4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

OA


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature