< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Beslissing inzake de korting op de WAO-basispremie. Ontbreken van gronden van het bezwaar. Niet-ontvankelijkverklaring.

Uitspraak



07/2243 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2007, 06/5755 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 22 november 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2007, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl betrokkene heeft zich doen vertegenwoordigen door A.G.M. van Bolderen, personeelsfunctionaris bij betrokkene.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

Bij besluit van 27 april 2006 heeft appellant beslist op de aanvraag van betrokkene inzake korting en vrijstelling over het premiejaar 2000. In totaal heeft appellant bij dit besluit een bedrag van € 5.006,-- toegekend, bestaande uit € 3.323,-- premiekorting voor REA-werknemers en een maximale korting van € 1.683,-- voor de overige werknemers van betrokkene.

Op 7 juni 2006 heeft betrokkene een pro forma bezwaarschrift ingediend en -alvorens tot een nadere motivering van het bezwaar te komen- appellant verzocht om toezending van een nadere specificatie van de berekening en beslissing van appellant. Bij brief van 15 juni 2006 heeft appellant, onder toezending van de voor de procedure van belang zijnde stukken, betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de gronden van het bezwaar in te zenden. Daarbij heeft appellant opgemerkt dat indien betrokkene niet tijdig reageert het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft appellant betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar aangezien geen reactie ontvangen was op de brief van 15 juni 2006, waarmee appellant betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld het geconstateerde verzuim te herstellen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en als oordeel uitgesproken dat het bezwaarschrift van 7 juni 2006 een grond in de zin van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

”Het besluit van 27 april 2006 betreft een beslissing inzake de korting op de WAO-basispremie. In het besluit is vermeld dat de korting is vastgesteld op € 5.006,00. Uit het bezwaarschrift volgt dat eiseres het niet eens is met deze korting. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres uiteengezet dat uit het besluit van 27 april 2006 en de daarbij behorende bijlage niet blijkt hoe dit bedrag berekend is, en dat het daarom niet mogelijk was om het bezwaar al in het bezwaarschrift van 7 juni 2006 verder te onderbouwen. Om die reden is in het bezwaarschrift ook gevraagd om een specificatie (op werknemersniveau) van de berekening.

De rechtbank acht dit betoog van eiseres aannemelijk en is bijgevolg van oordeel dat, in aanmerking genomen de inhoud van het besluit van 27 april 2006, het bezwaarschrift een grond in de zin van artikel 6:5 van de Awb bevatte. ”.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd met als strekking dat het oordeel van de rechtbank inhoudt dat elk pro-forma bezwaarschrift tevens een grond van bezwaar zou inhouden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb , voor zover hier van belang, bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb , mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Uit de jurisprudentie van de Raad komt naar voren dat in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mee, dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb . Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten. Anders dan in de aangevallen uitspraak tot uitdrukking is gebracht, is de Raad van oordeel dat in dit geval het bezwaarschrift een concrete bezwaargrond ontbeert.

De Raad overweegt daartoe dat in het voorlopige bezwaarschrift slechts is weergegeven tegen welk besluit bezwaar wordt gemaakt met daaraan gekoppeld het verzoek om toezending van een nadere specificatie (op werknemersniveau) van de berekening en beslissing van appellant, teneinde tot een nadere motivering van het bezwaar te komen. Het bezwaarschrift van betrokkene voldeed dan ook niet aan het even bedoelde wettelijke vereiste.

Op grond van het vorenstaande en in aanmerking genomen het feit dat betrokkene ook niet, na daartoe door appellant binnen een aan betrokkene gestelde termijn in de gelegenheid te zijn gesteld, alsnog de gronden van het bezwaar heeft ingediend, is de Raad van oordeel dat appellant bevoegd was met toepassing van artikel 6:6 van de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

De stelling van betrokkene dat diverse malen telefonisch dan wel per fax gereageerd is op, naar de Raad begrijpt, het uitblijven van de bij brief van 15 juni 2006 toegezonden bijlagen, heeft betrokkene niet onderbouwd met daarvoor toereikend bewijs leverende stukken.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, hetgeen meebrengt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

IJ221107


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature