< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

WAO-schatting.

Uitspraak



05/1347 WAO en 06/833 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2005, 04/2158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft de Raad een besluit, gedateerd 26 januari 2006, doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 2 november 2001 uitgevallen voor haar werk als tuinbouwmedewerkster. Op 13 oktober 2003 is zij onderzocht door de verzekeringsarts E.A.G. Hooiveld. Deze heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van chronisch aspecifieke rugpijn en dat zij zware rugbelasting in duur en intensiteit moet vermijden. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van trillingsbelasting, frequent buigen, tillen of dragen, rugbewegingen, zitten, staan, gebogen en getordeerd actief zijn en afwisseling van houding.

De arbeidsdeskundige B. Terpstra heeft vervolgens op basis van de FML een aantal functies geselecteerd waartoe appellante in staat zou zijn. Vergelijking van het inkomen dat met deze functies verdiend kan worden met het maatvrouwinkomen van appellante leidt blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige van 12 november 2003 tot een verlies aan verdiencapaciteit van 0%.

Bij besluit van 17 november 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 november 2002 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 7 juli 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Met betrekking tot de medische aspecten van de zaak heeft de rechtbank overwogen dat er voor de stelling van appellante dat de beperkingen ten aanzien van haar rug ernstiger zijn dan door de verzekeringsarts is aangenomen, geen bevestiging te vinden is in de medische stukken. De verzekeringsarts heeft echter onvoldoende gemotiveerd op welke manier met de bij het lichamelijk onderzoek vastgestelde beperking van de actieve nek- en schouderfunctie rekening is gehouden dan wel – indien daarmee geen rekening is gehouden – waarom dit niet is gebeurd. Daarnaast achtte de rechtbank de arbeidskundige onderbouwing van het besluit onvoldoende.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv het in rubriek I. genoemde besluit van 26 januari 2006 genomen, waarbij het bezwaar van appellante wederom ongegrond is verklaard. Nu met dit besluit niet geheel aan de grieven van appellante wordt tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep op grond van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit).

Het bestreden besluit is mede gebaseerd op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 15 maart 2005. Deze heeft het dossier bestudeerd en appellante gezien op het spreekuur van 15 maart 2005. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat er bij onderzoek nooit ernstige afwijkingen aan de nek zijn gevonden die de klachten en het in stand blijven hiervan kunnen verklaren, dat appellante ondanks de aangegeven ernst van de klachten niet meer onder behandeling is en behalve ’s nachts geen medicatie gebruikt. De bevindingen tijdens het lichamelijk onderzoek wijzen voorts niet op een beperkte functie van de nek of schouders. Op grond hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien om de vastgestelde belastbaarheid met betrekking tot de nek- en schouderbelasting te wijzigen.

Aan het besluit van 26 januari 2006 ligt voorts ten grondslag een rapportage van

15 december 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma. Deze heeft de actualiteit van de geselecteerde functies ten tijde van de datum in geding –

1 november 2002 – bezien en een motivering gegeven van de geschiktheid van deze functies in relatie tot de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de FML. Dit resulteerde in vier gangbare functies die appellante zou kunnen verrichten, te weten productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), lederbewerker, productiemedewerker papier/karton/drukkerij en medewerker tuinbouw. Vergelijking van het inkomen dat met deze functies verdiend kan worden met het maat vrouwinkomen van appellante leidt tot een verlies van verdiencapaciteit van 0%.

Appellante heeft als grief van procedurele aard aangevoerd dat zij voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet opnieuw is gehoord. De Raad onderschrijft deze grief niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van

25 februari 2003, LJN: AF6327) houdt artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet een algemene verplichting in tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Dat neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Een zodanige situatie doet zich in dit geval echter niet voor. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante op

15 april 2004 reeds is gehoord met betrekking tot het samenstel van feiten en omstandigheden dat ook aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Daarnaast heeft zij op 15 maart 2005 het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts Van Geest bezocht, waar zij haar medische bezwaren nogmaals naar voren heeft kunnen brengen en lichamelijk is onderzocht.

Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op voormelde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De Raad overweegt dienaangaande dat volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 maart 2002, LJN: AE1690) de advisering als geschied in de nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige als zodanig niet een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid oplevert, als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb . Wel kan een dergelijk rapport nieuwe feiten of omstandigheden bevatten, die aanleiding geven om de betrokkene nogmaals te horen. In dit geval is daarvan niet gebleken.

Appellante keert zich in hoger beroep tegen de overwegingen van de rechtbank over de beperkingen ten aanzien van de rug. Appellante is van mening dat zij op dit punt meer beperkt is dan door de verzekeringsarts is aangenomen. De rechtbank heeft het oordeel van de verzekeringsarts zonder nadere motivering gevolgd. Voorts bestrijdt appellante het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts geen nadere informatie behoefde in te winnen bij de behandelende sector. Appellante heeft in hoger beroep rapporten overgelegd van Instituut Psychosofia van 14 maart 2005 en 14 februari 2006.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er voor de stelling van appellante dat de beperkingen ten aanzien van haar rug ernstiger zijn dan door de verzekeringsarts is aangenomen, geen bevestiging te vinden is in de medische stukken. De Raad maakt dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen tot de zijne. De Raad voegt hier aan toe dat in de brieven van de reumatoloog A.H. Gerards van 15 oktober 2002 en

2 januari 2003 weliswaar is vermeld dat de rugklachten passen bij artrose en dat sprake is van sclerose van de SI-gewrichten, maar de bezwaarverzekeringsarts

J.D. van de Nieuwe Giessen heeft in zijn rapport van 10 mei 2004 terecht opgemerkt dat niet de diagnose van belang is, maar de functionele mogelijkheden en beperkingen. Noch de informatie van de reumatoloog noch de andere medische stukken wijzen op ernstiger beperkingen ten aanzien van de rug dan in de FML zijn opgenomen.

Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. In voormeld rapport van 15 maart 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat de belastbaarheid ten aanzien van de nek- en schouderfunctie te wijzigen. Appellante heeft geen nadere medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om aan die conclusie te twijfelen. De in de rapporten van Instituut Psychosofia genoemde argumenten leiden niet tot een ander oordeel. Ten slotte onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat er voor de verzekeringsarts geen noodzaak bestond nadere informatie bij de behandelende sector op te vragen.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting acht de Raad in voormeld rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 december 2005 alsnog voldoende gemotiveerd dat er ten tijde van de datum in geding voldoende voor appellante geschikte functies bestonden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep, voor zover dit geacht moeten worden te zijn gericht tegen het bestreden besluit van 26 januari 2006, ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 januari 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijt en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

JL


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature