< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Werkgever heeft namens werknemers WW-uitkering aangevraagd. Heeft UWV terecht werkgever als belanghebbende aangemerkt?

Uitspraak



05/5042 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 juli 2005, 04/3127 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[werkgever], (hierna: werkgever),

en

appellant.

Datum uitspraak: 22 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens [naam BV], de rechtsopvolger van de werkgever, is door H.A.M. Cuppen, werkzaam bij CupaH te Uden, een verweerschrift ingediend. In deze uitspraak wordt onder werkgever tevens verstaan [naam BV]

Bij brief van 26 juli 2006 heeft appellant een hem door de Raad bij schrijven van 2 juni 2006 gestelde vraag beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Appellant, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De werkgever is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, feiten en omstandigheden.

2.1. In de winterperiode 2003/2004 heeft de werkgever meerdere malen, te weten op 24 oktober 2003, 8 december 2003, 18 december 2003, 23 december 2003, 28 januari 2004 en op 26 februari 2004, melding gedaan bij appellant van werkonderbreking als gevolg van weersomstandigheden, waarbij de namen waren vermeld van de desbetreffende werknemers. De werkonderbrekingen hebben steeds meerdere dagen geduurd. Op de bijlage bij de melding van de werkgever d.d. 23 december 2003 is een notitie gemaakt door een medewerkster van appellant, gedateerd 23 december 2003, luidende: “Tevens contact gehad over de aanvragen met mevr. Thoonen. Of ze zo snel mogelijk de aanvraag in wil sturen.”

2.2. Op 28 januari 2004 heeft appellant een buitendienstfunctionaris opgedragen ten aanzien van een drietal met name genoemde werknemers van de werkgever onderzoek te doen naar de werkonderbreking. De desbetreffende buitendienstfunctionaris heeft op 2 en 3 februari 2004 contact gehad met de genoemde werknemers en met de werkgever. De werkgever heeft bij brief van 4 februari 2004 informatie verschaft over de werkonder-breking door de drie genoemde werknemers, waar het onderzoek over ging.

2.3. De door de werkgever ingediende aanvragen, betrekking hebbende op de hierboven genoemde meldingen van werkonderbreking, heeft appellant ontvangen op 2 september 2004.

2.4. Bij brief van 14 september 2004 heeft appellant aan de werkgever meegedeeld dat aan de door de werkgever gemelde werknemers geen uitkering is toegekend omdat de aanvragen te laat zijn ontvangen. Bij deze brief was een bijlage gevoegd waarin onder meer het volgende stond:

“In bijgaande brief wordt u in kennis gesteld van onze beslissing over het al dan niet toekennen van uitkering WW in verband met onderbrekingswerkloosheid.

Deze berichtgeving vindt aan u plaats daar u als werkgever bent ingeschakeld bij de betaling van uitkering aan uw werknemers.

Tegen een eventuele beslissing om geheel of gedeeltelijk uitkering te weigeren of anderszins, kunnen belanghebbenden bezwaar aantekenen. In de zin van de Algemene wet bestuursrecht wordt een werkgever niet als belanghebbende aangemerkt. Dat wil dus zeggen dat alleen de werknemer op wie de beslissing betrekking heeft, bezwaar kan aantekenen.

Wél kunt u namens één van uw werknemers bezwaar tegen onze beslissing aantekenen. U dient hiertoe een machtiging van die werknemer én een afschrift van de op naam van die werknemer uitgereikte beslissing aan ons te overleggen.”

2.5. De werkgever heeft bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift d.d. 24 september 2004, luidende:

“Hierbij maken wij bezwaar tegen uw afwijzing van WW uitkering i.v.m. onderbrekings-werkloosheid.

Wij zijn ons ervan bewust dat wij laat waren met de inzending van het aanvraagformulier weersomstandigheden, echter is dit te wijten aan personele omstandigheden onzerzijds (langdurige ziekte). In de voorgaande jaren, toen aanvragen na via uw kantoor te Nijmegen liepen, duurde het ook zeer geruime tijd voordat wij van u uitsluitsel inzake het toekennen van voornoemde uitkering ontvingen, dit was destijds geheel te wijten aan personele omstandigheden uwerzijds (bijv. zwangerschapsverlof). Vanwege deze omstandigheden verwacht ik enige coulance van uw kant.

Wij verwachten dat u begrip heeft voor deze situatie en verzoeken u daarom om ons deze uitkering alsnog toe te kennen.”

2.6. Bij besluit van 12 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van de werkgever ongegrond verklaard, waartoe is overwogen dat voor de desbetreffende aanvragen dezelfde termijn geldt als voor een reguliere WW aanvraag, zodat de aanvragen binnen 1 week na het intreden van de werkloosheid hadden moeten worden ingediend, in die zin dat dit wordt uitgelegd als binnen 7 dagen na verwerking van de loongegevens van de laatste betalingsperiode in de loonadministratie van de werkgever. De sanctie op te late indiening van de aanvraag is in casu, zo heeft het Uwv voorts overwogen, niet gebaseerd op de WW en het bijbehorende Maatregelenbesluit maar op het Uitkeringsreglement WW 2002 (hierna: het Reglement). De sanctie bestaat dan uit een gehele of gedeeltelijke niet vergoeding van de betalingen die de werkgever aan zijn werknemers heeft gedaan als voorschot op de uitkeringen. De onderhavige aanvragen zijn te laat ingediend en de werkgever heeft, zo is het Uwv van opvatting, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de te late indiening verschoonbaar is.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van de werkgever tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van haar uitspraak opnieuw op het bezwaar van de werkgever te beslissen. Zij heeft daartoe overwogen dat het door appellant aan de werkgever verweten gedrag, namelijk het niet tijdig inzenden van de aanvragen, niet valt onder een van de voorschrif-ten van artikel 7, tweede, derde of vierde lid, van het Reglement, zodat appellant niet bevoegd was om op grond van artikel 7, vijfde lid, van het Reglement een maatregel te treffen.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd, waarbij hij heeft betoogd dat in het bestreden besluit een juiste toepassing is gegeven aan artikel 7 van het Reglement. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat het de werkgever, door de tussenkomstbepaling van artikel 7, eerste lid, van het Reglement, is toegestaan de aangifte en de aanvraag van de werkloosheid van de werknemers te doen. Voorts is naar zijn opvatting, op grond van de zinsnede van artikel 101, tweede lid, van de WW “Onverminderd het elders in deze wet bepaalde, …”, de termijn voor het doen van de aanvraag, neergelegd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW , onver-minderd van toepassing. De werkgever heeft niet aan laatstbedoelde verplichting voldaan, zodat moet worden vastgesteld dat hij één of meer verplichtingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid van artikel 7 van het Reglement niet of niet behoorlijk is nagekomen, zodat appellant op grond van het vijfde lid van dat artikel bevoegd is te besluiten om de door de werkgever als voorschot op de uitkering aan de werknemer gedane betaling geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.

4.2. De werkgever heeft zich in verweer achter het oordeel van de rechtbank gesteld en voorts verwezen naar hetgeen door hem voor de rechtbank naar voren is gebracht.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad ziet aanleiding ambtshalve een oordeel uit te spreken over de vraag of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak op juiste wijze heeft beslist over de toegang tot de rechter, neergelegd in artikel 8:1, eerste lid, in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat appellant aan de werkgever toestemming, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Reglement, heeft verleend om namens zijn werknemers aangifte van werkloosheid te doen en om de betaling van de uitkering te laten plaatsvinden door tussenkomst van de werkgever. Uit artikel 7, derde lid, van het Reglement vloeit voort dat de werkgever dan de aangifte doet en dat de werkgever er zorg voor draagt dat de aanvraag van ieder van zijn werknemers, op wie de aangifte betrekking heeft, wordt ingediend overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Reglement. Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat het verlenen van de toestemming, als hierboven bedoeld, meebrengt dat op de werkgever administratieve verplichtingen komen te rusten, bij overtreding waarvan appellant een maatregel kan treffen.

5.3. De Raad is, anders dan appellant in een aan de Raad gericht schrijven van 26 juli 2006 als zijn oordeel te kennen heeft gegeven, van oordeel dat artikel 7, derde lid, van het Reglement niet tot gevolg heeft dat, indien de hierboven bedoelde toestemming is ver-leend aan een werkgever, de verplichting tot het doen van een aanvraag van de werk-nemer overgaat op die werkgever. Uit het samenstel van de artikelen 18, eerste lid, van de WW en artikel 22, eerste lid, van de WW , alsmede artikel 2, eerste lid, van het Reglement vloeit voort dat de aanvraag dient te worden gedaan door de desbetreffende werknemer. Dit laat evenwel onverlet dat een werkgever namens zijn werknemers een aanvraag om een WW-uitkering kan indienen, hetgeen voortvloeit uit artikel 2:1 van de Awb .

5.4. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens is de Raad van oordeel dat in het voorliggende geval de werkgever de aanvragen om een WW-uitkering heeft ingediend namens zijn werknemers. Appellant heeft op die aanvragen beslist en daarvan mededeling gedaan aan de werkgever bij de brief van 14 september 2004. Bij schrijven van

24 september 2004 heeft de werkgever bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de namens zijn werknemers ingediende aanvragen. Appellant heeft vervolgens ten onrechte nagelaten de werkgever te verzoeken aan te geven namens welke werknemers bezwaar is gemaakt, waarbij appellant voorts had kunnen vragen om machtigingen over te leggen van de desbetreffende werknemers. Ten onrechte heeft appellant vervolgens de werk-gever zelf als belanghebbende aangemerkt en de beslissing op bezwaar aan de werkgever zelf gericht en bekendgemaakt. De omstandigheid dat bij toewijzing van de aanvragen de betaling van de aangevraagde WW-uitkeringen zou verlopen door tussenkomst van de werkgever, maakt naar het oordeel van de Raad niet dat de werkgever als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is aan te merken. Ook overigens is de Raad niet gebleken van zodanig rechtstreeks bij de afwijzing van de ingediende aan-vragen betrokken belangen van de werkgever dat deze als belanghebbende in voren-bedoelde zin kan worden aangemerkt. De Raad wijst er hierbij nog op dat appellant in de bijlage bij de brief van 14 september 2004 al had aangegeven dat de werkgever niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een beslissing op een aanvraag om een WW-uitkering.

5.5. Nu appellant het bestreden besluit aan de werkgever heeft gericht en bekendgemaakt, moet de Raad het ervoor houden dat appellant de werkgever zelf als belanghebbende heeft aangemerkt bij de in de brief van 14 september 2004 vervatte beslissing, hetgeen de Raad, zoals hij hierboven heeft overwogen, onjuist acht. Gelet op de in 5.1. genoemde artikelen stond ten aanzien van de beslissing van appellant tot afwijzing van de WW-aanvragen van de werknemers voor de werkgever niet de toegang tot de rechter open. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Nu de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd, ziet de Raad aanleiding om de aangevallen uitspraak, zij het op geheel andere gronden, te bevestigen met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

5.6. Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de grieven van appellant in hoger beroep geen bespreking meer behoeven.

6.1. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--.

6.2. Van appellant dient op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet alsnog griffierecht te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in `s Raads uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD

07.11


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature