< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Heeft het College op goede gronden besloten appellant niet verder te ontheffen van de arbeidsverplichtingen?

Uitspraak



05/4740 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 30 juni 2005, 04/3157 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2006. Voor appellant is verschenen mr. Toxopeus. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving een bijstandsuitkering laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 26 maart 2004 heeft het College aan appellant meegedeeld dat de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) gelden voor 24 tot 32 uur per week, dat daarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen die in het advies van Arboned van 2 maart 2004 staan aangegeven en dat appellant voor de overige uren is ontheven van de in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Abw genoemde verplichtingen.

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 maart 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juni 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met verwijzing naar de beschrijving van het stelsel van gefaseerde invoering van de WWB en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB) in de onderdelen 4.1.2 en 4.1.3 van zijn uitspraak van 6 december 2005 (LJN AU7664), stelt de Raad, gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IWWB , vast dat het College terecht met toepassing van de Abw heeft beslist op het op 14 april 2004 ontvangen bezwaarschrift tegen het op grond van de artikel 107, eerste lid, in verbinding met artikel 113, eerste lid, van de Abw genomen besluit van 26 maart 2004.

Artikel 107, eerste lid, van de Abw biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid verplichtingen als bedoeld in Hoofdstuk VIII van de Abw, en in het bijzonder de verplichtingen neergelegd in artikel 113 van de Abw , niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische en sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College op goede gronden heeft besloten appellant niet verder te ontheffen van de verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw dan het College bij zijn in bezwaar gehandhaafde besluit van 26 maart 2004 heeft gedaan. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het College zich bij zijn besluitvorming mocht baseren op het bij Arboned ingewonnen advies van 2 maart 2004, aangezien dit zowel wat de wijze van totstandkoming betreft als inhoud deugdelijk is te achten. De Raad tekent daarbij aan dat de arts van Arboned inlichtingen heeft ingewonnen bij de huisarts van appellant alsmede bij de neuroloog van de Stichting Epilepsie Instellingen Nederland en dat uit de verstrekte inlichtingen niet blijkt van bevindingen van de behandelende sector die beduidend afwijken van de bevindingen van de arts van Arboned. Naar het oordeel van de Raad biedt de door appellant overgelegde verklaring van 27 mei 2005 van psychiater M.R.J. Kattemölle, bij wie appellant sedert 28 juni 2004 onder behandeling is, onvoldoende objectieve aanknopingspunten om ten aanzien van de hier in geding zijnde periode te twijfelen aan de bevindingen van de arts van Arboned.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.M. van Male en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

EK3006


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature