< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing van politieagent die relatie onderhield met vrouw uit familie met criminele reputatie.

Uitspraak



05/867 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 januari 2005, 04/702 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord (hierna: Korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand.

Namens de Korpsbeheerder is een verweerschrift ingediend door

mr. M.J.M. Schoonhoven, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.F. van Norel. De Korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Schoonhoven, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als brigadier van politie bij de basiseenheid [naam eenheid]. Begin 2002 heeft een intern onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van informatie dat appellant mogelijk een verhouding zou hebben met mevrouw J.S., lid van een familie met een criminele reputatie. Op 22 april 2002 heeft zijn chef hem ervan op de hoogte gesteld dat vooralsnog niet gebleken was van een verhouding met J.S.. Daarbij is hem meege-deeld dat mocht alsnog blijken van een verhouding met J.S., gepaste maatregelen tegen hem zouden worden genomen. Voorts is hem meegedeeld zeer terughoudend te zijn in het algemeen met contacten buiten dienst en in het bijzonder met de onderhavige familie(s).

1.2. Op 16 en 24 oktober 2002 hebben opnieuw gesprekken plaatsgevonden tussen appellant en zijn chef. Daarbij heeft appellant meegedeeld dat hij een relatie had met J.S.. Daarop heeft de Korpsbeheerder een disciplinair onderzoek doen instellen. Naar aanlei-ding van de resultaten van dat onderzoek is aan appellant bij brief van 29 december 2003 het besluit meegedeeld hem met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, in samenhang met artikel 78, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) voorwaardelijk strafontslag op te leggen. Tevens werd hem het besluit meegedeeld dat hij met toepassing van artikel 64 Barp in het belang van de dienst werd overgeplaatst naar de basiseenheid Roermond-centrum.

1.3. Beide besluiten zijn gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 13 mei 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft als grieven tegen de aangevallen uitspraak naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte de relatie met J.S. als een risicovol contact heeft beschouwd. Het verzwijgen van die relatie gedurende een aantal maanden mocht derhalve niet als plichtsverzuim worden aangemerkt. Ook bestrijdt appellant dat hij onvoldoende terughoudend is geweest in contacten met de familie S. Zo er al sprake is geweest van plichtsverzuim, dan is de opgelegde straf onevenredig zwaar. De maatregel van overplaatsing is volgens appellant eveneens te zwaar en niet doelmatig.

3.2. De Korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

Het voorwaardelijk strafontslag

4.1. Blijkens de beslissing op bezwaar wordt aan appellant tweeërlei plichtsverzuim verweten. Door na het ontstaan van de relatie, volgens zijn zeggen in mei 2002, tot oktober 2002 daarover te zwijgen, heeft appellant onvoldoende openheid betracht. Voorts is hij onvoldoende terughoudend geweest in zijn contacten met J.S., haar familie en derden.

4.2. Ook voor de Raad staan de bedoelde gedragingen in voldoende mate vast. Wat betreft het gedurende maanden verzwijgen van zijn relatie heeft appellant ter verklaring aangevoerd dat hij aanvankelijk niet wist wat hij met de situatie aan moest en eerst zijn toenmalige echtgenote wilde informeren. Bovendien heeft hij zich beroepen op zijn minder goede verstandhouding met zijn chef. Naar het oordeel van de Raad bieden deze verklaringen onvoldoende rechtvaardiging voor het zwijgen van appellant. Uit het eerder ingestelde onderzoek naar een mogelijke relatie met J.S. en uit het aansluitende gesprek met zijn chef van 22 april 2002 moet appellant duidelijk zijn geweest hoezeer de korps-leiding hechtte aan openheid over risicovolle contacten, juist met J.S. en haar familie. In de gegeven situatie lag het op de weg van appellant, ongeacht zijn verstandhouding met zijn chef, deze onmiddellijk te informeren over het ontstaan van deze relatie.

4.3. Ook de grief van appellant, dat hij niet tot melding verplicht was omdat J.S. zelf van onbesproken gedrag was en zij of hij nauwelijks contact hadden met haar criminele familieleden, treft naar het oordeel van de Raad geen doel. Deze stelling ziet eraan voorbij dat de op appellant rustende meldingsplicht gebaseerd was op het door zijn chef getaxeerde risico dat aan een relatie verbonden was, ongeacht of en zo ja, in welke mate, dit risico zich ook in de praktijk manifesteerde. De Raad acht deze taxatie ook geenszins onredelijk, waar van de zijde van de Korpsbeheerder onweersproken is gesteld dat het merendeel van de familieleden van J.S. criminele antecedenten had, J.S. tenminste met één van hen contact had, en appellant naar eigen zeggen niet precies wist of kon weten welke leden van de familie S als crimineel bekend stonden en waarvoor en wanneer ze met justitie in aanraking waren gekomen. Hij had immers niet de bevoegdheid om hieromtrent de databank van zijn werkgever te raadplegen. Juist deze onzekerheid bracht een extra verhoogd risico op verkeerde contacten mee.

4.4. De Raad acht ook genoegzaam aangetoond dat appellant zich niet heeft gehouden aan de verplichting, hem opgelegd in het gesprek van 22 april 2002, zeer terughoudend te zijn in zijn contacten. Zulks blijkt afdoende uit het feit dat appellant zelf een aangifte van J.S. heeft opgenomen, terwijl zijn collega’s niet wisten dat het om zijn vriendin ging, en dat hij een collega verzocht te bemiddelen voor een woning ten behoeve van een als crimineel bekend staande broer van J.S..

4.5. De Raad is voorts van oordeel dat de Korpsbeheerder deze gedragingen terecht heeft aangemerkt als plichtsverzuim. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de risico’s die appellant nam bij het aangaan en verheimelijken van contacten ernstig afbreuk hebben gedaan aan zijn betrouwbaarheid jegens collega’s en jegens de buitenwereld. Hij heeft daarbij niet het korpsbelang maar zijn eigen belang laten voorgaan en in meerdere opzichten in strijd gehandeld met het Integriteitsstatuut van de Nederlandse politie. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend was de Korpsbeheerder bevoegd appellant terzake een disciplinaire straf op te leggen.

4.6. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de opgelegde straf onevenredig is, omdat hij het korps niet heeft benadeeld. Appellant gold na het gesprek van 22 april 2002 als een gewaarschuwd man en heeft die waarschuwing in de wind geslagen. De goede staat van dienst, waarop appellant zich heeft beroepen, acht de Raad bij de afweging van de op te leggen straf reeds voldoende in aanmerking genomen. Ook in het ter zitting van de Raad nog aangevoerde voorbeeld van een collega die na vergelijkbaar plichtsverzuim nog steeds in dienst is, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om tot onevenredigheid van de onderhavige strafoplegging te concluderen. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.

De overplaatsing

5.1. De Korpsbeheerder heeft het besluit tot overplaatsing van appellant gebaseerd op de overweging, dat de familie van zijn relatie zich met name manifesteert binnen Venlo en onmiddellijke omgeving. Aangezien appellant er voor kiest zijn relatie met J.S. te continueren, is het noodzakelijk de risico’s van vermenging van privé en werk tot een minimum te beperken. De overplaatsing draagt hieraan bij.

5.2. De grieven die appellant hiertegen naar voren heeft gebracht hebben de Raad niet kunnen overtuigen. Het door appellant aangevoerde risico van een - mogelijk vijandige - confrontatie in Roermond met de ex-vriend van de dochter van J.S. dient ook naar het oordeel van de Raad veel lager te worden ingeschat dan het risico tijdens het werk in de basiseenheid [naam eenheid] geconfronteerd te worden met criminele familieleden van J.S.; dit geldt ook indien appellant volgens zijn wens op de meldkamer geplaatst zou worden.

6. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2006.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) O.C. Boute.

HD

21.08


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature