< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontslag op andere gronden na (mislukte) reïntegratie.

Uitspraak



03/4031 AW en 04/1605 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk, mede als rechtsopvolger van de raad van die gemeente, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 juni 2003, nr. AWB 02/2265 AW, en van 10 februari 2004, nr. AWB 03/1665, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van de Nadort, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Kragten & Partner, alsmede door Th.J. Mundi, werkzaam bij de gemeente Cuijk.

II. MOTIVERING

1. De Raad merkt vooreerst op dat hij, uitgaande van de door de wetgever met de Wet dualisering gemeentebestuur (Stb. 2002, 111) beoogde wijziging in het stelsel van gemeentelijke bevoegdheden, in het geding met betrekking tot de ontslaguitkering het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk aanmerkt als rechtsopvolger van de raad van die gemeente (hierna: de gemeenteraad). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van gedaagde, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de gemeenteraad verstaan.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant was sedert 1972 werkzaam bij de gemeente Cuijk, vanaf 1 januari 1994 als [naam functie]. In december 1998 heeft hij zich met psychische klachten ziek gemeld. In oktober 1999 is voor hem een reïntegratieplan opgesteld, met als uitgangspunt dat hij niet in zijn oude functie zou terugkeren. Tevens is een begeleidingstraject gestart bij een extern bureau. In december 1999 is een ander in de functie van appellant benoemd. Na per 10 januari 2000 hersteld te zijn verklaard heeft appellant binnen de gemeente diverse werkzaamheden verricht. Teneinde zijn positie op de (externe) arbeidsmarkt te verbeteren is hem op tijdelijke basis de benaming "adjunct-gemeentesecretaris" toegekend. Omstreeks juli 2000 heeft appellant kenbaar gemaakt bij de gemeente Cuijk te willen blijven; tegelijkertijd heeft hij belangstelling geuit voor een juridische functie in de advocatuur. In september 2000 heeft het sectorhoofd voor hem een zogenoemde "snuffelstage" geregeld bij een advocaat in [plaats], met behoud van de ambtelijke rechtspositie, doch appellant heeft in oktober 2000 te kennen gegeven dat hij van die mogelijkheid geen gebruik wilde maken. Rond die tijd is ook het contact met het externe loopbaanadviesbureau definitief beëindigd. Appellant heeft zich op 20 oktober 2000 wederom ziek gemeld. In februari 2001 heeft hij een raadsman ingeschakeld. Per 3 september 2001 is appellant hersteld verklaard, doch gedaagde heeft hem toen vrijgesteld van werkzaamheden.

2.2. Bij besluit van 28 januari 2002 heeft de gemeenteraad aan gedaagde toestemming verleend over te gaan tot ontslag van appellant op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Cuijk (hierna: de CAR). Tegelijkertijd heeft de gemeenteraad besloten aan dit ontslag niet méér rechten te verbinden dan de aanvullende en aansluitende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR. Bij besluit van 19 februari 2002 heeft gedaagde appellant op de genoemde grond eervol ontslag verleend. Deze besluiten zijn, voor zover thans nog in geding, na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten van 23 juli 2002 en 16 september 2002.

2.3. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Het betreft hier een zogeheten ontslag op andere gronden. Blijkens de bestreden besluiten, zoals in beroep en hoger beroep nader toegelicht, heeft gedaagde dit ontslag vooral doen steunen op de overweging dat voortzetting van de dienstbetrekking niet langer zinvol was. Daarbij heeft gedaagde in aanmerking genomen dat appellant zijn werkzaamheden als [naam functie] wegens toenemende bezwaren tegen de inhoud van die functie had beëindigd, dat inmiddels een ander tot [naam functie] was benoemd en dat alle pogingen om voor appellant een andere functie te vinden op niets waren uitgelopen. Verdere pogingen achtte gedaagde zinloos, gelet op de zijns inziens weinig coöperatieve houding van appellant en de wrijvingen die daardoor - alsmede door de toonzetting van de contacten met de toenmalige raadsman van appellant - tussen partijen waren ontstaan.

3.1.1. De Raad kan gedaagde volgen in het oordeel dat ten tijde van het ontslag in de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie een impasse was opgetreden waarin geen uitzicht meer bestond op het herstel van een vruchtbare samenwerking en die grondslag bood voor een beëindiging van de dienstbetrekking met toepassing van artikel 8:8 van de CAR. Dat geen sprake was van onverenigbaarheid van karakters of van onenigheid in het kader van de uitoefening van de werkzaamheden, doet hieraan niet af. Doorslaggevend is dat terugkeer in de oude functie niet in de rede lag, dat gedaagde heeft getracht voor appellant binnen of buiten de gemeente een passende oplossing te vinden en dat gedaagde na verloop van tijd uit de houding van appellant heeft mogen afleiden dat van verdere inspanningen geen resultaat meer was te verwachten. De Raad onderschrijft daartoe in grote lijnen de overwegingen die de rechtbank hebben geleid tot de conclusie dat in de arbeidsverhouding een uitzichtloze situatie was ontstaan.

3.1.2. Appellant heeft (eerst) in hoger beroep rapporten overgelegd van de psycholoog Bögels en de klinisch neuropsycholoog De Bijl, respectievelijk gedateerd 3 augustus 1999 en 29 november 2000, waaruit naar voren komt dat bij appellant sprake was van een depressieve stoornis. Hij verbindt hieraan de conclusie dat gedaagde hem geen ontslag op andere gronden had mogen verlenen, althans niet tot dit ontslag had mogen overgaan zonder eerst nader te hebben onderzocht of bij appellant sprake was van ongeschiktheid uit hoofde van ziekte of gebrek.

De Raad deelt die conclusie niet. Appellant was door de bedrijfsarts op 27 augustus 2001 arbeidsgeschikt bevonden per 3 september 2001. Tegen deze beslissing is appellant, die over juridische bijstand beschikte, niet opgekomen. Gedaagde heeft bovendien, bij wijze van second opinion, een nader medisch deskundigenoordeel aangevraagd bij USZO. In het rapport van de verzekeringsarts van USZO, gedateerd 8 november 2001, is onder meer gesteld dat bij het onderzoek de spanningen duidelijk zijn die het gevolg zijn van een slepend arbeidsconflict, doch dat geen sprake is van psychopathologie in engere zin, dat appellant onbeperkte mogelijkheden toont in het dagelijks leven en dat hij geen verminderd arbeidsvermogen heeft als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebrek. Uit het rapport blijkt tevens dat de verzekeringsarts inlichtingen heeft ingewonnen bij de psycholoog en kennis droeg van het neuropsychologisch onderzoek van 29 november 2000. Ook het oordeel van de verzekeringsarts is door appellant niet aangevochten of met andersluidende medische rapporten weerlegd.

3.1.3. Voorts kan appellant niet staande houden dat gedaagde hem op oneigenlijke gronden of met misbruik van omstandigheden - waaronder met name zijn psychische toestand - de functie van [naam functie] heeft ontnomen. De gedingstukken laten zien dat appellant bij verschillende gelegenheden blijk heeft gegeven van weerzin tegen essentiële aspecten van die functie, daarvoor zakelijke redenen heeft opgegeven en duidelijk heeft gemaakt niet in de functie te willen terugkeren. Het in oktober 1999 opgestelde en mede door appellant ondertekende reïntegratieplan liet daarover geen enkel misverstand bestaan. Bij dit standpunt is appellant, ook na een bedenktijd, gebleven toen hem werd voorgehouden dat de functie dan door een ander zou moeten worden vervuld. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant op al deze momenten buiten staat is geweest zijn wil te bepalen. Het is begrijpelijk dat de daadwerkelijke benoeming van een ander in zijn functie appellant - ondanks alles - emotioneel heeft aangegrepen, maar zulk een benoeming was het te verwachten gevolg van het openstellen van de vacature, waarmee appellant bij herhaling heeft ingestemd.

3.1.4. Het beroep van appellant op het ontbreken van voldoende herplaatsingsinspanningen treft evenmin doel. Uit de stukken komt naar voren dat gedaagde in samenspraak met appellant uitvoerig - en met het nodige inlevingsvermogen - naar andere functies heeft gezocht. Daarbij is appellant op kosten van gedaagde begeleid door het externe bureau Adsom. Dat de inspanningen vanaf het begin mede gericht zijn geweest op een functie elders, kan appellant gedaagde niet verwijten, nu hij aanvankelijk zelf de oplossing ook in die richting heeft gezocht. Toen appellant daarover van gedachten was veranderd, heeft gedaagde hem onder meer de functie van beleidsmedewerker bestuursondersteuning aangeboden. Deze functie was weliswaar nog niet helemaal uitgekristalliseerd, doch sloot aan bij de ambitie van appellant om meer juridisch inhoudelijk werk te gaan verrichten en bood mogelijkheden tot verdere doorgroei, wellicht in de richting van juridisch controller. Bij aanvaarding werd appellant zijn bestaande rechtspositie gegarandeerd. Dat appellant deze kans niet heeft willen aangrijpen, dient voor zijn rekening te worden gelaten. Voor het niet aanbieden van de vacante functie van planologisch beleidsmedewerker heeft gedaagde een overtuigende verklaring van organisatorische aard gegeven.

3.1.5. Het ontslag houdt derhalve in rechte stand.

3.2. Aan het ontslag is een uitkering verbonden op het niveau van de (reguliere) bovenwettelijke werkloosheidsuitkering ingevolge hoofdstuk 10a van de CAR. Appellant acht zich daarmee te kort gedaan.

3.2.1. In de lijn van de vaste rechtspraak (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438, TAR 2001, 122) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een uitkeringsregeling op dat niveau onvoldoende is, indien zou komen vast te staan dat het gedaagde is geweest die een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of indien gezegd zou moeten worden dat gedaagde met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven het reguliere niveau niet redelijk heeft kunnen achten.

3.2.2. Voor die conclusie acht de Raad, gelet op al hetgeen onder 3.1.1. tot en met 3.1.4. is overwogen, geen grond aanwezig.

3.2.3. Ook het bestreden besluit inzake de uitkering kan dus de rechterlijke toetsing doorstaan.

3.3. De aangevallen uitspraken dienen derhalve te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.)G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E. Blijleven-de Vries.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature