< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Heeft betrokkene zijn (voormalig) werkgever als gevolg van een verkeersongeval terecht aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel?

Uitspraak



02/5272 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 augustus 2002, nr. 01/850 AW GA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant, destijds werkzaam als medewerker basispolitiezorg, is op 8 januari 1994 tijdens diensttijd betrokken geraakt bij een ongeval met twee surveillancewagens. Nadat hij een oproep had gekregen van de centrale meldkamer, was hij als bestuurder van een van de surveillancewagens op weg naar de plaats van een verkeersongeval. Gelet op de ernst daarvan - er was een auto te water geraakt - had de melding prioriteit 1 gekregen, zodat appellant gerechtigd was optische en geluidssignalen (zwaailicht en sirene) te voeren, hetgeen hij ook deed. Toen hem bij een kruispunt als gevolg van de verkeers-drukte op de rijstroken voor rechtdoorgaand verkeer de doorgang werd belemmerd, besloot appellant via de rijstrook voor rechtsafslaand verkeer rechtdoor te rijden. Terwijl hij overstak van de linkerrijstroken voor rechtdoorgaand verkeer naar de rechterrijstrook voor de rechtsafslaande rijrichting, kwam hij in botsing met de surveillancewagen van collega K, die eveneens onderweg was naar de plaats van het ongeval en op de rechter-rijstrook reed, teneinde rechtsaf te slaan. Ook de auto van collega K voerde optische en geluidssignalen.

1.3. Appellant is in 1995 vanwege gezondheidsklachten met ziekteverlof gegaan. Op 22 april 1996 is hij buiten diensttijd betrokken geraakt bij een verkeersongeval waarbij een auto achter op zijn auto reed. In november 1997 is hij eervol ontslagen in verband met medische ongeschiktheid voor zijn functie.

1.4. Bij brief van 31 oktober 1997 heeft appellant gedaagde aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel. Bij besluit van 10 november 1999 heeft gedaagde meegedeeld geen aansprakelijkheid te erkennen en vergoeding van schade als gevolg van het ongeval af te wijzen. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 april 2001.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het betreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant wenst vergoeding van de schade die resteert na vergoeding van medische kosten die op grond van de rechtspositionele bepalingen heeft plaatsgehad. Het betreft onder meer smartengeld, de aanvulling van verlies van arbeidsvermogen tot 100 % en vergoeding in verband met verlies van zelfwerkzaamheid.

3.1. Appellant acht gedaagde aansprakelijk voor de schade, omdat gedaagde in gebreke is gebleven voldoende instructies te verstrekken met betrekking tot het reageren van politieambtenaren op de melding prioriteit 1 en het voeren van optische en geluids-signalen, dan wel het handhaven van deze instructies. Appellant heeft zich met betrekking tot het voeren van optische en geluidssignalen strikt gehouden aan de regels zoals neer-gelegd in het zogenoemde orderboek en is deze signalen pas gaan voeren nadat hij toestemming van de chef van dienst van de meldkamer had verkregen. Volgens appellant is het niet duidelijk dat collega K deze toestemming ook had. In ieder geval is er onvoldoende communicatie vanuit de meldkamer geweest, zodat appellant er niet van op de hoogte was dat er tegelijkertijd nog een andere surveillancewagen onderweg was naar de plaats van het ongeval. Door de gebrekkige instructies kon er in de praktijk kennelijk een situatie ontstaan waarin politieambtenaren zoals appellant en zijn bijrijder zich aan de regels van het orderboek hielden en anderen zoals collega K en zijn bijrijder op eigen initiatief zonder toestemming van de meldkamer naar een ongeval reden.

3.2. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat de aanrijding het gevolg is van een fout van zijn collega K. Volgens appellant had K rekening kunnen (en moeten) houden met de uitwijkmanoeuvre van appellant en is hij de kruising met veel te hoge snelheid genaderd. Er is derhalve sprake van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een ondergeschikte, waarvoor gedaagde verantwoordelijk is.

3.3. Tot slot betoogt appellant dat gedaagde op grond van de eisen van goed werkgever-schap gehouden is de schade te vergoeden. Appellant stelt zich op het standpunt dat waar in het ambtenarenrecht aansluiting is gezocht bij de normen van de artikelen 7:658 en 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ook een vergelijkbare norm als bedoeld in artikel 7: 611 BW (goed werkgeverschap) van toepassing is. Appellant heeft in dit verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2001, NJ 2001/253, (hierna: Arena-arrest) waarvan de casus zijns inziens in relevante mate overeenkomt met het in geding zijnde geval, in het bijzonder ten aanzien van de gevaarzetting door verplichte deelname aan het verkeer.

4. Namens gedaagde is geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van een tekortkoming in zijn zorgplicht als werkgever, dat er evenmin sprake is van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van appellants collega K en dat er geen aanleiding is om de criteria genoemd in het Arena-arrest hier toe te passen.

Zorgplicht

5.1. Allereerst beziet de Raad of gedaagde ten opzichte van appellant heeft voldaan aan zijn zorgplicht als werkgever. Daarbij hanteert de Raad, zoals is overwogen in zijn uitspraak van 22 juni 2000, TAR 2000, 112, de norm: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

5.2. De Raad is van oordeel dat van de zijde van gedaagde is aangetoond dat aan de hiervoor omschreven zorgplicht is voldaan, reeds omdat gedaagde een orderboek hanteert waarin deugdelijk en helder staat omschreven wie op welk moment en onder welke omstandigheden gebruik mag maken van optische en geluidssignalen en waarin aanwijzingen worden gegeven voor het rijden met optische en geluidssignalen. Dat bij het voeren van voornoemde signalen een grote mate van verantwoordelijkheid bij de bestuurder van de desbetreffende wagen wordt gelegd doet aan het voorgaande niet af. Het is immers de bestuurder die de verkeerssituatie ter plaatste kan inschatten en die kan beoordelen of hij - gelet op die verkeerssituatie - van de signalen gebruik moet maken of niet, en in hoeverre hij zijn verkeersgedrag moet aanpassen.

Fout ondergeschikte

6.1. De stelling van appellant dat het ongeval is veroorzaakt door een fout van de bestuurder van de andere surveillanceauto, collega K, dan wel door een haperende communicatie van de zijde van de meldkamer, vat de Raad op als een beroep op de jurisprudentie neergelegd in 's Raads uitspraak van 25 oktober 2001, TAR 2002, 21. Daarin acht de Raad een bestuursorgaan gehouden tot vergoeding aan de ambtenaar van de schade die een gevolg is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden van een ander indien deze schade is veroorzaakt door een als een onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan of van een ander tot de betrokken rechtspersoon behorend bestuursorgaan werkzame persoon, indien de kans op de fout is vergroot door de taakopdracht aan die persoon en indien dat bestuursorgaan of een ander tot bedoelde rechtspersoon behorend bestuursorgaan zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of er sprake is geweest van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van appellants collega K dan wel van collega’s uit de centrale meldkamer.

6.2. Blijkens de gedingstukken heeft collega K evenals appellant gereageerd op de melding met prioriteit 1 en was ook hij onder het voeren van zwaailicht en sirene, onderweg naar de plaats van het ongeval. Bij het bewuste kruispunt reed K over de rechter rijstrook, bedoeld voor rechtsafslaand verkeer en met de intentie bij de kruising rechtsaf te slaan. Niet is vast komen te staan dat K op dat moment niet gerechtigd was optische en geluidssignalen te voeren. Het orderboek sluit (begrijpelijkerwijs) niet uit dat meerdere wagens toestemming verkrijgen optische en geluidssignalen te voeren en naar een plaats van een ongeval gezonden te worden. Ook is niet vast komen te staan dat collega K met onverantwoord hoge snelheid de kruising is genaderd zoals appellant stelt. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat niet gesproken kan worden van een als onrechtmatig aan te merken fout van collega K.

Voorts is de Raad uit de bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen niet gebleken dat de communicatie met de meldkamer onvoldoende zou zijn geweest.

Goed werkgeverschap

7.1. Blijkens het onder 5.1. en 6.1. overwogene heeft een ambtenaar aanspraak op - in beginsel - volledige vergoeding van schade die is ontstaan door een ongeval tijdens de dienstuitoefening, voorzover die aanspraak niet voorvloeit uit de toepasselijke rechtspositionele voorschriften, indien de overheidswerkgever niet heeft aangetoond te hebben voldaan aan zijn zorgverplichtingen dan wel indien sprake is van een aan die werkgever toe te rekenen optreden van een ondergeschikte.

7.2. Ook indien zich niet een van de evenbedoelde situaties voordoet, heeft de ambtenaar aan wie een dienstongeval is overkomen, in beginsel aanspraak op allerlei rechts-positionele voorzieningen. Deze zijn opgenomen in de op de ambtenaar toepasselijke rechtspositieregelingen, zoals in het geval van appellant in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Genoemd worden hier de doorbetaling van bezoldiging en de aanvulling van arbeidsongeschiktheids-uitkering, volledige vergoeding van noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging, vergoeding van schade aan goederen en het recht op smartengeld, zoals sedert 1 januari 2002 geregeld in artikel 54a van het Barp .

7.3. In een aantal regelingen is in aanvulling op dergelijke voorzieningen een bepaling opgenomen op grond waarvan de overheidswerkgever de bevoegdheid is toegekend de ambtenaar naar billijkheid schadeloos te stellen. De Raad noemt in dit kader artikel 69 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement . Een dergelijke bepaling kan, zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld CRvB 8 mei 2002, TAR 2002, 140), worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen, welke verplichting na aanvaarding van het wetsvoorstel van 21 februari 2004, TK 2003-2004, 29 436, binnenkort ook zal zijn opgenomen in (artikel 125ter van ) de Ambtenaren-wet. Deze norm als zodanig geeft echter de ambtenaar geen aanspraak op vergoeding van schade die voor zijn rekening blijft indien zich niet de situaties voordoen als bedoeld onder 5.1. en 6.1. Zou de rechter dat gevolg wel verbinden aan die norm, dan zou hij een stelsel van risicoaansprakelijkheid doen ontstaan, waarvoor in de geschiedenis van de totstandkoming van de rechtspositieregelingen geen basis is te vinden en waarvoor ook in het ongeschreven recht onvoldoende aanknopingspunten bestaan.

7.4. De omstandigheid dat in de rechtspraak van de Hoge Raad in een enkel zeer uitzonderlijk geval is geoordeeld dat het niet onjuist was dat de betrokken feitenrechter het onaanvaardbaar achtte dat de werkgever zijn werknemer liet zitten met schade die in het dienstverband was opgelopen bij een in allerlei opzichten als bijzonder te kenschetsen verkeersongeval, maakt dit voor de Raad niet anders. Hij acht het niet goed verenigbaar dat in een geval als het onderhavige door de rechter op billijkheidsgronden een plicht tot volledige schadevergoeding zou worden opgelegd, waar die plicht ontbreekt in vele gevallen waarin ambtenaren worden geconfronteerd met - vaak naar aard en omvang niet minder ernstige - voor hun rekening blijvende schade als gevolg van ongevallen in risicovolle functies, zoals die van politieambtenaren, militairen, baliemedewerkers en penitentiair inrichtingswerkers. De Raad merkt hierbij op dat rechtspositionele bepalingen als het onder 7.3. genoemde artikel 69 ARAR ertoe kunnen leiden dat een ambtenaar, ter discretie van het bevoegd gezag, onder bijzondere omstandigheden een vergoeding naar billijkheid ontvangt naast hetgeen hij ontleent aan rechtspositionele bepalingen betreffende de gevolgen van een dienstongeval, als genoemd onder 7.2. In het Barp komt een dergelijke .bepaling niet voor.

7.4. Op grond van het bovenstaande slaagt het beroep dat appellant heeft gedaan op de eisen van goed werkgeverschap niet.

8. Gezien het vorenstaande houdt het bestreden besluit van gedaagde, waarbij de weigering om schade te vergoeden is gehandhaafd, in rechte stand en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

9. De Raad ziet tot slot geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

26.11

Q


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature