< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Uitspraak



99/6235 + 00/2288 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant] te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 oktober 1999, nr. AWB 98/09536 MPWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift vergezeld van een bijlage ingediend. Naderhand heeft gedaagde een herzieningsbesluit van 29 maart 2000 aan de Raad doen toekomen. Daarop is namens appellant een reactie gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 september 2002, waar namens appellant is verschenen mr. J.B. Biezen, advocaat te Zaandam, en waar gedaagde, zoals tevoren aangekondigd, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Ingevolge de overgangsbepaling van artikel Y9 van de Algemene militaire pensioenwet wordt het recht op pensioen ter zake van het ontslag van een militair dat is ingegaan vóór 1 januari 1966 uitsluitend beheerst door de bepalingen van de voor hem geldende vroegere militaire pensioenwet. Op basis van deze bepaling is in dit geding de toepassing van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 aan de orde. Genoemde wetten zijn echter bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven koninklijk besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge het toepasselijke overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

Voor een weergave van de hier van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar hetgeen in rubriek 3 van de uitspraak van de rechtbank is vermeld.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde bij het besluit van 5 februari 1998, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 2 november 1998, de inkomsten van appellant tijdens de grondslagperiode van 1 oktober 1963 tot 30 september 1964 heeft kunnen vaststellen op f 13.220,00 zijnde het bedrag aan inkomsten dat appellant naar Nederlandse maatstaven in een vergelijkbare functie gedurende dat tijdvak zou hebben genoten. Met betrekking tot de door appellant in geding gebrachte verklaringen van personen die hem tijdens de referteperiode als ondernemer in de installatiebranche in Brazilië hebben gekend is de rechtbank van oordeel dat hieruit niet kan worden opgemaakt welke inkomsten appellant in die periode daadwerkelijk ontving.

In zijn tegen de uitspraak van de rechtbank gerichte beroep heeft appellant gesteld dat gedaagde had moeten uitgaan van zijn werkelijke inkomen dat naar zijn schatting naar Nederlandse maatstaven destijds f 4.800,00 per maand bedroeg, hetgeen overeenkomt met een bedrag van f 57.600,00 over de gehele grondslagperiode. Appellant heeft ter onderbouwing van deze stelling twee nadere verklaringen, waaronder een verklaring van zijn toenmalige accountant, overgelegd. Voorts heeft hij CBS-cijfers verstrekt over het gemiddelde jaarinkomen van zelfstandigen en directeuren van N.V.'s in Nederland in 1964.

Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep verstrekte gegevens heeft gedaagde bij besluit van 29 maart 2000 de inkomsten van appellant tijdens de grondslagperiode bij wijze van uitzondering alsnog gesteld op f 18.853,53, zijnde het gemiddelde jaarinkomen van een zelfstandig ondernemer in de categorie ijzer-, staal- en metaalwarenfabrieken in 1964 in Nederland, en het primaire besluit van 5 februari 1998 in zoverre herzien.

Appellant heeft de Raad laten weten dat hiermee niet geheel aan zijn bezwaar is tegemoetgekomen en dat de aangevoerde hoger beroepsgronden zijn aan te merken als zijnde tevens gericht tegen het besluit van 29 maart 2000.

Voorts heeft appellant de Raad verzocht om gedaagde te veroordelen zijn schade te vergoeden, bestaande uit renteverlies.

De Raad overweegt het volgende.

Het besluit van 2 november 1998

Met betrekking tot het hoger beroep tegen het besluit van 2 november 1998 stelt de Raad vast dat nu gedaagde bij het besluit van 29 maart 2000 tot een herziening van de pensioengrondslag is gekomen moet worden vastgesteld dat dit besluit niet langer wordt gehandhaafd, reden waarom het voor vernietiging in aanmerking komt. Dit leidt ertoe dat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep tegen het besluit van 2 november 1998 alsnog gegrond dient te worden verklaard.

Het in dit kader door appellant gedane verzoek om gedaagde op te dragen aan hem de wettelijke rente te vergoeden over hetgeen gelet op het besluit van 29 maart 2000 te weinig is betaald aan invaliditeitspensioen, acht de Raad toewijsbaar. Ingevolge 's Raads vaste rechtspraak, waarbij wordt aangesloten bij het bepaalde in de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek , is deze rente verschuldigd over de bruto nabetalingen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betalingen hadden moeten plaatsvinden tot aan de dag van algehele voldoening toe. Hierbij geldt dat, telkens na afloop van een jaar, het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proces- en reiskosten (op basis van openbaar vervoer) van appellant in eerste aanleg ten bedrage van € 644,- respectievelijk € 17,26 en in hoger beroep ten bedrage van € 644,- respectievelijk € 14,06.

Appellant vordert voorts nog vergoeding van kosten die in rekening zijn gebracht door een vertaalbureau, kosten van reizen naar het Ministerie van Sociale Zaken en de Koninklijke Bibliotheek, alsmede fax- en telefoonkosten. Gelet op het limitatieve karakter van artikel 8:75 van de Awb en het ter uitvoering daarvan gegeven Besluit proceskosten bestuursrecht, ziet de Raad deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het besluit van 29 maart 2000

Omdat met het besluit van 29 maart 2000 niet geheel tegemoetgekomen is aan de bezwaren van appellant wordt appellant ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit van 29 maart 2000.

Met betrekking tot de vraag of de hierin neergelegde pensioengrondslag rechtens juist is vastgesteld, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 13, vierde lid, van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 dient in het onderhavige geval als pensioengrondslag te worden gehanteerd het bedrag van de inkomsten die de dienstplichtig militair uit hoofde van zijn beroep of bedrijf zou hebben genoten over het jaar voorafgaande aan de datum van ingang van zijn ontslag, indien hij gedurende dat jaar zijn beroep of bedrijf zou hebben uitgeoefend. Gedaagde gaat voor degene die gedurende de grondslagperiode in het buitenland werkzaam was niet uit van de daadwerkelijk aldaar gerealiseerde inkomsten, maar van de inkomsten die naar Nederlandse maatstaven gedurende dat tijdvak zouden zijn genoten. De Raad acht dit uitgangspunt, mede gelet op het onderlinge verband en de samenhang met het tweede lid van genoemd wetsartikel, niet onjuist.

Gedaagde heeft zich nader gebaseerd op de beschikbaar gekomen CBS-gegevens over de gemiddelde inkomens van zelfstandigen en directeuren van vennootschappen in ijzer-, staal-, en metaalwarenfabrieken in 1964. Gedaagde acht de gegevens betreffende zelfstandigen voor appellant het meest in aanmerking komen nu appellant ten tijde hier van belang samen met een vennoot een eigen onderneming exploiteerde.

Appellant kan zich met deze nadere vaststelling niet verenigen. Stellende dat het bedrijf waarin hij vanaf 1963 werkzaam was geen nieuw bedrijf was en de Braziliaanse economie destijds floreerde, is appellant van opvatting dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de door hem overgelegde verklaring van zijn toenmalige accountant, inhoudende dat appellant destijds een maandelijks basissalaris genoot van ongeveer 1500 Amerikaanse dollars.

Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de inhoud van evenbedoelde verklaring onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat de door gedaagde nader vastgestelde inkomensvaststelling niet kan worden gevolgd. Niet alleen omdat moet worden vastgesteld dat nu in een geval als het onderhavige de in de grondslagperiode verworven inkomsten moeten worden vastgesteld naar Nederlandse maatstaven, de betekenis van een verklaring over de hoogte van in het buitenland verworven inkomsten slechts een beperkte kan zijn, maar ook omdat, nu van de zijde van appellant is bevestigd dat ieder concreet historisch gegeven over de exacte hoogte van zijn destijds in Brazilië genoten inkomsten ontbreekt, enige bevestiging van de juistheid van die verklaring niet kan worden verkregen.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van appellant voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 29 maart 2000 ongegrond dient te worden verklaard. Voor een veroordeling tot schadevergoeding bestaat in dit kader geen ruimte.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van appellant alsnog gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 november 1998;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 20 maart 2000 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de door appellant geleden renteschade als in rubriek II is aangegeven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, te betalen door de Staat der Nederlanden:

- in eerste aanleg ten bedrage van € 661,26, waarvan € 644,- te betalen aan de griffier van de Raad, en

- in hoger beroep ten bedrage van € 658,60, waarvan € 644,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 172,43 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature