< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De bijstand aan appellanten is beëindigd omdat zij geacht werden over vermogen te beschikken

in de vorm van een Mercedes Benz met een waarde van ong. fl 90.000.

Uitspraak



96/4850 ABW

96/4853 ABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A. en C., wonende te B.,

appellanten,

en

de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen van de

provincie Gelderland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellanten heeft mr R. Mulder, advocaat te

Winterswijk, op de bij aanvullende gelijkluidende

beroepschriften aangegeven gronden beroep ingesteld tegen

het besluit van gedaagde van 2 april 1996. In dit besluit

is het beroep ongegrond verklaard dat was ingesteld tegen

de op bezwaarschrift genomen beslissing van het College

van burgemeester en wethouders van de gemeente

Winterswijk (hierna: het College) van 6 juli 1993.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens het College, als partij aan het geding deelnemend,

is bij brief van 30 oktober 1996 een uiteenzetting van

diens standpunt gegeven. Voorts is bij schrijven van

5 februari 1997 nog een vraag beantwoord.

Namens appellanten is bij brief van 13 maart 1997 een

aantal stukken toegezonden en is aangekondigd dat nog een

stuk zou worden toegestuurd, hetgeen bij brief van

19 maart 1997 is geschied.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van

25 maart 1997 waar voor appellanten is verschenen

mr Mulder, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen

vertegenwoordigen door mr H.P.W.M. van der Linden, thans

werkzaam bij de gemeente Heusden. Het College heeft zich

niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet

(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de

Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in

werking getreden.

Het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt

beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende

bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van

belang.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting

ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellanten (hierna ook te noemen: A.,

respectievelijk C.), geboren in 1970

onderscheidenlijk 1972, ontvingen vanaf januari 1992 een

uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze

werknemers (RWW) en wel, met toepassing van artikel 5 a

van de ABW, naar de norm voor een echtpaar.

Aangezien was waargenomen dat appellanten een

personenauto van het type Mercedes Benz met het kenteken

(...) bestuurden, is omtrent de rechtmatigheid van de

aan appellanten verleende uitkering door de sociale

recherche van de gemeente Winterswijk gedurende de

periode september 1992 tot en met januari 1993 een

onderzoek ingesteld.

Naar aanleiding van de bevindingen van de sociale

recherche, neergelegd in een rapport van 25 januari 1993,

is namens het College bij beschikking van 15 februari

1993 aan appellanten meegedeeld, dat de hen eerder

verleende RWW-uitkering met ingang van 1 januari 1993

wordt beëindigd, zulks op de grond dat het vermogen het

maximum vrij te laten vermogen ad f 17.800,-- overschrijdt.

De uitkering was blijkens de gedingstukken

reeds eerder geblokkeerd.

Het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift is

door het College bij beslissing van 6 juli 1993 ongegrond

verklaard. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van

2 april 1996 het tegen deze beslissing ingestelde

administratief beroep ongegrond verklaard. Gedaagde heeft

zich blijkens dit besluit - kort samengevat - op het

standpunt gesteld dat appellanten niet genoegzaam hebben

aangetoond dat de eigendom van de Mercedes Benz met een

waarde van ruim f 90.000,-- niet aan hen kon worden

toegerekend en dat het College terecht met ingang van 1

januari 1993 de RWW-uitkering van appellanten heeft

ingetrokken nu zij de beschikking hadden over meer dan

het vrij te laten bescheiden vermogen.

In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde in het

bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat het

College op goede gronden heeft besloten tot beëindiging

van de uitkering van appellanten met ingang van 1 januari 1993.

Het antwoord op die vraag is afhankelijk van het antwoord

op de partijen in het bijzonder verdeeld houdende andere

vraag of de personenauto van het merk Mercedes Benz,

kenteken (...) en met een aankoopwaarde van ruim

f 90.000,--, al dan niet tot het vermogen van appellanten

moet worden gerekend. Appellanten zijn van mening dat

deze auto toebehoort aan E., de vader van

appellant C., terwijl het College als ook gedaagde de

mening zijn toegedaan dat deze auto geacht wordt deel uit

te maken van het vermogen van appellanten.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Op grond van artikel 7, eerste lid, onder b, van de ABW

wordt bij de beoordeling van de mate waarin een persoon

beschikt over middelen, als bedoeld in het eerste lid van

artikel 1 van de ABW , een bescheiden vermogen buiten

beschouwing gelaten. In het geval van appellanten bedroeg

het destijds vrij te laten bescheiden vermogen

f 17.800,--. Gezien het complementaire karakter van de

ABW staat het bezit van een meer dan bescheiden vermogen

- behoudens in de door de wet aangegeven doch hier niet

van toepassing zijnde uitzonderingen - in beginsel

(verdere) bijstandsverlening in de weg. Bepalend voor de

omvang van het vermogen is de feitelijke

vermogenssituatie ten tijde van de aanvraag dan wel van

de beëindiging van de bijstandsuitkering.

Uit de gedingstukken blijkt dat het kenteken van de

eerdergenoemde Mercedes Benz ten tijde van de beëindiging

van de bijstandsuitkering van appellanten stond

geregistreerd op naam van B.V. X., in

de gedingstukken ook aangeduid als BV Y. (hierna: X.), te

Z. Zowel appellanten als E., als ook X., zijn de mening

toegedaan dat deze registratie niet inhoudt dat de auto

ten tijde in dit geding van belang toebehoorde aan

X. De Raad heeft geen aanleiding gevonden een ander

standpunt in te nemen.

Een en ander houdt in dat in dit geval voor de

beantwoording van de vraag tot wiens vermogen de auto

moet worden gerekend niet kan worden uitgegaan van de

tenaamstelling van het kenteken.

Tot de gedingstukken behoort een opdrachtbevestiging d.d.

28 november 1991 van het garagebedrijf BV X.

waarin C. bevestigt te hebben gekocht een

Mercedes Benz voor de prijs van f 91.181,--, op welke

aankoopprijs in mindering is gebracht de waarde van een

Mercedes 280 SL uit 1983 alsmede een Peugeot 205 CTI. In

totaal moest nog worden bijbetaald een bedrag van f

9.000,--. Het kenteken van de Mercedes 280 SL met een

waarde van circa f 65.000,--, stond tot 24 januari 1992

geregistreerd op naam van E. en de Peugeot, met

een gestelde waarde van f 17.500,--, behoorde toe aan

appellante A.

De factuur betreffende de koop van de Mercedes Benz d.d.

12 maart 1992 staat op naam van A. Tot de

gedingstukken behoort verder een door A. op 17 maart

1992 ondertekende verklaring, inhoudende dat zij

verantwoordelijk is voor de consequenties welke de

tenaamstelling van de auto met het kenteken (...) op

X. heeft en dat A. zelf verzekering alsmede

motorrijtuigenbelasting verzorgt. Uit de gedingstukken

blijkt dat de verzekering van de auto op naam van A.

is gesteld.

In het rapport van de sociale recherche d.d. 25 januari

1993 is vermeld dat is waargenomen dat appellanten beiden

de auto bestuurden, hetgeen door appellanten niet is betwist.

Onbetwist is verder dat de auto werd geleverd in de kleur

en met de accessoires zoals appellanten deze eerder, te

weten in november 1991, met het garagebedrijf hadden

besproken.

De hierboven weergegeven omstandigheden, in onderling

verband bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de

Raad de conclusie dat de Mercedes Benz met het kenteken

(...) ten tijde hier in geding een bestanddeel vormde

van het vermogen van appellanten waarover zij

daadwerkelijk de beschikking hadden dan wel

redelijkerwijs konden beschikken. In een dergelijke

situatie is het vervolgens aan betrokkenen om in

genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Namens appellanten is aangevoerd dat de auto toebehoorde

aan E., de vader van appellant C. Daartoe is

onder meer gesteld dat E. analfabeet is en dat om

die reden de opdrachtbevestiging van 28 november 1991 op

naam van zijn zoon is gezet. Voorts is aangevoerd dat de

Mercedes 280 SL aan E. toebehoorde en dat deze

auto mede is gebruikt voor de betaling van de thans in

geding zijnde Mercedes. Met betrekking tot de reden dat

het kenteken van deze auto niet op naam van E. is

geregistreerd, is blijkens het proces-verbaal van de

zitting bij gedaagde d.d. 24 januari 1996 aangevoerd dat

E. in de praktijk nogal eens wordt aangehouden als

hij in een dergelijke auto rijdt en het zou voor de

politie gemakkelijker zijn te accepteren wanneer hij kan

verklaren dat die auto aan een ander toebehoort. Voorts

is gesteld dat het overschrijven van de verzekering van

de aan A. behorende Peugeot op de Mercedes Benz

goedkoper was nu de premie voor die verzekering eerst

recentelijk was betaald.

Naar het oordeel van de Raad zijn de hierboven

weergegeven, door appellanten gestelde en overigens in

hoofdzaak niet verder onderbouwde omstandigheden niet

zodanig van aard dat hiermee het vermoeden is weerlegd

dat de betreffende auto ten tijde hier in geding een

bestanddeel van hun vermogen in de hiervoor bedoelde zin

vormde. Zo is het niet kunnen lezen en schrijven door

E. op zich nog geen omstandigheid die met zich brengt

dat de opdrachtbevestiging op naam van appellant C.

zou moeten komen te staan. Dat het kenteken van de auto

op naam van X. en niet op naam van E. moest

worden gesteld in verband met mogelijke problemen bij

aanhouding door de politie komt de Raad onaannemelijk

voor nu E. tevoren eveneens in een auto van het

merk Mercedes reed waarvan het kenteken wel op zijn naam

stond geregistreerd en waar het door hem gestelde

probleem zich blijkbaar niet voordeed. Bovendien wordt

hiermee in het geheel niet verklaard dat de aankoopnota

van 12 maart 1992 op naam van A. staat en het ook

A. was die de verklaring van 17 maart 1992, waarmee

zij de volledige verantwoordelijkheid voor de auto op

zich nam, heeft ondertekend.

Tenslotte is nog betoogd dat de in geding zijnde auto

eind januari 1993 is verkocht voor f 64.000,-- en dat de

volledige opbrengst van de verkoop door E. is

ontvangen en behouden. Tot de gedingstukken behoort

slechts een vrijwaringsbewijs afgegeven op 27 januari

1993 door Autobedrijf W. te V. en betrekking

hebbend op het voertuig met het kenteken (...). Op

geen enkele wijze is aangetoond dat het E. was die

de auto heeft verkocht en dat deze de beweerde opbrengst

van f 64.000,-- zelf heeft behouden. Een kwitantie dan

wel enig ander bewijs van betaling is niet overgelegd.

Hetgeen overigens van de zijde van appellanten nog is

aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Het vorenstaande brengt met zich dat de door appellanten

ingestelde beroepen niet kunnen slagen en dat de beroepen

ongegrond dienen te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en

mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr Th.C. van Sloten

als leden, in tegenwoordigheid van M.M. Hoogendam als

griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 1997.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) M.M. Hoogendam.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature