< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Voorlopige voorziening. Brief over aanvullend permanent toezicht slachthuis. Geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht .

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/307

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Bij brief van 9 maart 2021 heeft verweerder aan verzoeker laten weten dat aanvullend permanent toezicht zal plaatsvinden in het gedeelte van de slachterij van verzoeker waar met levende dieren wordt gewerkt, omdat verzoeker niet bereid is om mee te werken aan cameratoezicht op het bedrijf.

Verzoeker heeft tegen de brief van 9 maart 2021 bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een reactie gegeven op het verzoekschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verzoeker zijn tevens verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen [naam 4] en [naam 5] .

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2

Bij brief van 1 december 2020 heeft verweerder verzoeker verzocht om mee te werken aan cameratoezicht op het bedrijf. De brief vermeldt dat slachthuizen die niet vrijwillig meewerken aan cameratoezicht (aanvullend) permanent toezicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) krijgen op alle activiteiten van het bedrijf waar met levende dieren wordt gewerkt. Dit betekent dat er een NVWA inspecteur op het bedrijf aanwezig zal zijn vanaf het moment dat de dieren worden aangevoerd, naast de NVWA dierenarts die is aangevraagd voor de AM keuring en eventueel ander toezicht. De kosten van het toezicht worden bij het slachthuis in rekening gebracht. Verweerder heeft verzoeker verzocht om binnen twee weken te laten weten of hij bereid is om mee te werken aan het cameratoezicht op vrijwillige basis.

2.3

Bij e-mail van 21 december 2020 heeft verzoeker aangegeven dat hij een zienswijze wil indienen naar aanleiding van het verzoek om mee te werken aan cameratoezicht op vrijwillige basis. Verzoeker geeft aan de zienswijze in januari 2021 verder te zullen toelichten.

2.4

Bij brief van 22 december 2020 bericht verweerder verzoeker dat hij niet binnen 14 dagen heeft gereageerd op de brief van 1 december 2020 en dat daarom met ingang van 15 januari 2021 bij verzoeker aanvullend permanent toezicht wordt ingesteld.

2.5

Bij brief van 13 januari 2021 vraagt verzoeker aan verweerder om af te zien van het aanvullend permanent toezicht per 15 januari 2021 en wordt tevens gevraagd om een nadere termijn voor het indienen van een zienswijze.

2.6

Bij e-mail van 14 januari 2021 heeft verweerder verzoeker bericht dat het aanvullend permanent toezicht zal worden opgeschort en dat verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om op 21 januari 2021 tijdens een digitaal overleg zijn zienswijze te geven. Op 21 januari 2021 heeft dit overleg plaatsgevonden.

2.7

Bij brief van 9 maart 2021 heeft verweerder bericht dat het toezicht op het bedrijf van verzoeker met ingang van 26 maart 2021 zal worden uitgebreid met aanvullend permanent toezicht op alle activiteiten van het bedrijf waar met levende dieren wordt gewerkt.

2.8

Bij brief van 16 maart 2021 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de brief van

9 maart 2021. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

2.9

Bij e-mail van 23 maart 2021 heeft verweerder aan verzoeker laten weten dat het aanvullend permanent toezicht tot en met de dag van de uitspraak in de voorlopige voorziening zal worden opgeschort.

3.1

Verzoeker voert aan dat hij niet mee wil werken aan cameratoezicht op het bedrijf vanwege privacy-redenen en gelet op de hoge aanschafprijs van de camera’s, toekomstige kosten van het cameratoezicht en de moeilijke financiële positie van het bedrijf. Door de brief van 9 maart 2021 is verzoeker verplicht om aanvullend toezicht aan te vragen, hetgeen gericht is op rechtsgevolg. Het aanvullend permanent toezicht heeft grote gevolgen voor de bedrijfsvoering. Omdat de NVWA-medewerkers langer op het bedrijf aanwezig zullen zijn moet verzoeker een aparte kleedruimte, werkruimte en toilet beschikbaar stellen. Deze voorzieningen zijn thans niet aanwezig en leiden er dus toe dat verzoeker een verbouwing uit moet laten voeren of dat de productie stil moet worden gelegd. Verder kan de aanvoer van dieren door het aanvullend toezicht alleen plaatsvinden binnen de openingstijden van de NVWA, waardoor verzoeker beperkt wordt in het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Verzoeker heeft afwijkende openingstijden waarbij ook ’s avonds en ’s nachts dieren worden aangevoerd. Het opgelegde toezicht leidt bovendien tot hoge kosten.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 9 maart 2021 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de brief staat dat gebruik wordt gemaakt van een bevoegdheid die verweerder toekomt op grond van Verordening (EU) 2017/625 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (Verordening officiële controles). De brief van 9 maart 2021 is niet gericht op rechtsgevolg.

4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5.1

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of de brief van 9 maart 2021 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb .

5.2

De inrichting van het toezicht op slachthuizen wordt geregeld in de Verordening officiële controles. De brief van 9 maart 2021 omvat niet meer dan een mededeling van verweerder waaruit blijkt op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de bevoegdheid tot toezicht zoals beschreven is in de Verordening officiële controles. Deze brief wijzigt dan ook niets in de rechtspositie van verzoeker. Daarnaast zijn de toezichtwerkzaamheden feitelijk van aard. Ook het aanmelden van deze werkzaamheden en de reactie van verweerder hierop zijn in zoverre feitelijk van aard. Door deze mededeling verandert de rechtspositie van verzoeker in publiekrechtelijke zin niet. Dit betekent dat de brief van 9 maart 2021 naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb . Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter reeds om die reden geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

6. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature