E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CBB:2021:444
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19/1897

Inhoudsindicatie:

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Fosfaatrechten. Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. In dat verband stelt het College vast dat appellante in de periode vanaf oktober 2013 tot begin 2015 heeft geïnvesteerd in de bouw van een nieuwe stal in verband met de uitbreiding. De bouw van de stal is vervolgens in februari 2014 gestart en de stal is in november 2014 in gebruik genomen. Niet is gebleken dat appellante op de peildatum over alle voor het rechtsgeldig functioneren van de uitbreiding benodigde vergunningen beschikte. In gevallen waarin met de investeringen is vooruitgelopen op het verkrijgen van een of meer van de voor het rechtsgeldig functioneren van de uitbreiding benodigde vergunningen, is volgens vaste rechtspraak van het College in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van schending van artikel 1 van het EP. Voor zover moet worden aangenomen dat appellante, zoals zij heeft gesteld, wel over alle benodigde vergunningen voor de door haar beoogde dieraantallen beschikte, acht het College die beslissingen niet navolgbaar, gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren. Van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor de gedane investeringen is niet gebleken. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. In dat verband merkt het College op dat de nieuwe stal in november 2014 in gebruik is genomen. De omstandigheid dat appellante deze naar eigen zeggen niet vol kon zetten in verband met het melkquotum is een ondernemerskeuze die voor rekening van appellante moet blijven. Dat, zoals appellante verder heeft gesteld, zij op de peildatum nog niet over de beoogde dieraantallen beschikte omdat zij jongvee heeft moeten afvoeren in verband met de sloop van de oude stal kan niet afdoen aan het oordeel dat de investeringsbeslissingen die appellante op dat moment al had genomen niet navolgbaar zijn.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie