< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

GLB. Randvoorwaardenkorting. Niet in geschil en ook voor het College staat vast dat appellant nakomelingen van vijf melkgevende vaarzen had gemeld bij een onjuist moederdier en dat aldus sprake is van een niet-naleving van deze randvoorwaarde in 2018. Voor het College is komen vast te staan dat appellant zich ervan bewust was dat zijn administratie al langere tijd niet op orde was. Wat appellant heeft aangevoerd neemt dus niet weg dat sprake was van een situatie waarin appellant de mogelijkheid van niet-naleving van de randvoorwaarde heeft aanvaard en dat verweerder terecht ervan is uitgegaan dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Dat de Officier van Justitie de strafzaak heeft geseponeerd wegens persoonlijke omstandigheden van appellant in het strafbare feit, een zogenoemd voorwaardelijk sepot, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. Geen overmacht.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/64

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 20% op alle subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) die appellant in 2018 heeft aangevraagd.

Bij besluit van 11 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Appellant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is namens verweerder verschenen [naam 2] , inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van het volgende.

1.2

Appellant exploiteert een melkveehouderij. Appellant heeft op 2 mei 2018 om uitbetaling van rechtstreekse betalingen op grond van het GLB gevraagd.

1.3

Op 9 februari 2018 heeft ten aanzien van het bedrijf van appellant een administratieve controle plaatsgevonden. Op 26 maart 2018 heeft op het bedrijf van appellant een fysieke controle plaatsgevonden. In de "checklist Toepassen randvoorwaarden voor handmatig beoordelen NVWA rapporten 2018" is daarover het volgende vermeld.

"(…)Op 9 februari 2018 is geconstateerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de identificatie- & registratieplicht. (…) Er is sprake van 5 aangetoonde eenlingen bij een onjuiste moeder in combinatie met melkgevende runderen zonder geboortemelding. Dit leidt tot de norm opzet voor 5 runderen. Ieder ontbrekende of onjuiste registratie heeft het risico dat een onjuist geregistreerd rund uiteindelijk in de voedselketen terecht komt. Er is alsnog een juiste registratie van deze dieren in I&R gekomen en daarmee is het hersteld. 20% korting. (…)."

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 20% op alle subsidies van het GLB die appellant in 2018 heeft aangevraagd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd de niet-naleving van de randvoorwaarde om het bedrijfsregister runderen, volledig, op tijd en naar waarheid bij te houden en het melden van mutaties bij runderen binnen zeven dagen aan het I&R-systeem.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de in het primaire besluit vastgestelde randvoorwaardenkorting gehandhaafd. Hiertoe heeft hij uiteengezet dat bij vijf melkgevende vaarzen een melding van een levend geboren kalf ontbrak. Deze runderen hadden wel een levend geboren kalf gekregen, maar de nakomelingen waren gemeld bij een onjuist moederdier. Appellant heeft deze niet-naleving van de randvoorwaarde niet betwist. Aan de hand van een aantal omstandigheden heeft verweerder beoordeeld of sprake is van opzet. Daartoe heeft hij uiteengezet dat de verplichtingen die omtrent dierregistratie zijn gesteld, onderdeel zijn van langdurig bestendig beleid, dat het reeds vanaf 2000 verplicht is om mutaties bij runderen te melden aan het I&R-gegevensbestand en dat bij niet-naleving van die voorschriften kan worden aangenomen dat sprake is van opzet. Ook de mate waarin de regels niet zijn nageleefd speelt een rol, waarbij verweerder, voor zover hier van belang, opzet aanneemt indien het aantal melkgevende vaarzen met ‘ontbrekende melding van levend geboren kalf’ of met ‘niet te verklaren ontbrekende geboortemelding’ groter is dan vier. Omdat in het geval van appellant sprake is van meer dan vier melkgevende vaarzen wordt aan het criterium voor het aannemen van opzet voldaan. De korting bij opzettelijke niet-naleving van een eis of een norm bedraagt in de regel 20%. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) is sprake van overmacht bij abnormale en onvoorziene omstandigheden, die de aanvrager niet kent en waarvan de gevolgen, ondanks alle mogelijke voorzorgen, niet hadden kunnen worden vermeden. Daarvan is verweerder niet gebleken. Bovendien had appellant dit binnen vijftien werkdagen vanaf de dag waarop dit mogelijk was moeten melden bij de bevoegde autoriteit. Daarvan is verweerder evenmin gebleken.

3. Appellant heeft het volgende aangevoerd. Verweerder heeft belangrijke stukken uit het dossier gehouden. Verder is geen sprake van opzet. Appellant wijst in dit verband op de beschikking van het Openbaar Ministerie van 13 juli 2020, waarbij appellant ervan in kennis is gesteld dat hij niet zal worden vervolgd ter zake van onder meer en kort gezegd het opzettelijk niet (tijdig) registreren van geboorte(s), onder de voorwaarde dat hij zich niet schuldig zal maken aan enig strafbaar feit. Bovendien zijn de tekortkomingen op het bedrijf van appellant het gevolg van overmacht aan zijn zijde. Appellant had niet de bedoeling de voorschriften niet na te leven. Sinds 2014 was hij depressief waardoor de zaken hem boven het hoofd zijn gegroeid. Hij heeft ter zake ook een verklaring van de huisarts van 21 februari 2018 overgelegd waaruit blijkt dat hij in de jaren 2015, 2016 en 2017 wegens een chronisch vermoeidheidsyndroom en wegens klachten aan zijn elleboog en rug medische hulp heeft gekregen. Volgens appellant betrekt verweerder deze omstandigheden ten onrechte niet in zijn besluitvorming. Verder stelt appellant dat sprake is van een disproportionele sanctie. De korting zou moeten worden vastgesteld op 1%. Tot slot beroept appellant zich op rechtsgelijkheid, omdat andere veehouders in dezelfde situatie als appellant die erin slagen om van alle runderen de afstamming of de nakomeling aan te tonen niet het verwijt opzet krijgen.

4.1

Het College overweegt als volgt.

4.2

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. In deze bijlage wordt verwezen naar de artikelen 4 en 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (Verordening 1760/2000). De beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, en bijlage 3, punt 7.2, van de Uitvoeringsregeling.

4.3

Onder punt 7.2 wordt verwezen naar artikel 7, eerste lid eerste en tweede gedachtestreepje van Verordening 1760 /2000 en naar artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie van dieren . Ingevolge artikel 7 eerste lid, van Verordening 1760 /2000 houdt elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders een register bij en stelt hij de bevoegde autoriteit binnen een door de betrokken lidstaat vastgestelde maximumtermijn in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; die maximumtermijn bedraagt minstens drie en hoogstens zeven dagen na het voordoen van een van die gebeurtenissen. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren tekent de houder in het bedrijfsregister binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, de gegevens aan, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 1760 /2000 en bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van verordening 911 /2004 en indien een rund op het bedrijf van de houder is geboren de identificatiecode van de moeder van dat rund.

4.4

Niet in geschil en ook voor het College staat vast dat appellant nakomelingen van vijf melkgevende vaarzen had gemeld bij een onjuist moederdier en dat aldus sprake is van een niet-naleving van deze randvoorwaarde in 2018. Ter beoordeling staat of sprake is van een opzettelijke niet-naleving van deze randvoorwaarde. Gelet op het arrest van het Hof van 27 februari 2014, Van der Ham, C-396/12, ECLI:EU:C:2014:98, punt 37, is van een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden sprake indien de steunontvanger zich op een bepaalde wijze gedraagt waardoor hij een toestand van niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden tracht te bewerkstelligen, ofwel, zonder dat hij dit doel voor ogen heeft, de mogelijkheid dat die niet-overeenstemming zich voordoet, aanvaardt. Voor het College is komen vast te staan dat appellant zich ervan bewust was dat zijn administratie al langere tijd niet op orde was. Wat appellant heeft aangevoerd neemt dus niet weg dat sprake was van een situatie waarin appellant de mogelijkheid van niet-naleving van de randvoorwaarde heeft aanvaard en dat verweerder terecht ervan is uitgegaan dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Dat de Officier van Justitie de strafzaak heeft geseponeerd wegens persoonlijke omstandigheden van appellant in het strafbare feit, een zogenoemd voorwaardelijk sepot, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. Dit betekent namelijk, anders dan bij een technisch sepot, niet dat dat volgens de Officier van Justitie onvoldoende uitzicht bestond op een veroordeling (vergelijk de uitspraak van het College van 11 februari 2020 ECLI:NL:CBB:2020:90, punt 5.5). Het betoog van appellant dat, zo begrijpt het College, sprake is van rechtsongelijkheid, omdat veehouders in dezelfde situatie als appellant die erin slagen om van alle runderen de afstamming of de nakomeling aan te tonen niet het verwijt opzet krijgen, faalt, reeds omdat appellant dit betoog niet nader heeft uitgewerkt.

4.5

De gezondheidsproblemen van appellant rechtvaardigen evenmin een succesvol beroep op overmacht en uitzonderlijke omstandigheden, zodat het beroep daarop reeds om die reden faalt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, ECLI:EU:C:2002:440, punt 79) moet het begrip “overmacht” inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd, dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Daarvan is, zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft uiteengezet, geen sprake. Van psychische overmacht is het College evenmin gebleken. Anders dan appellant stelt blijkt uit het bestreden besluit wel degelijk dat verweerder de door appellant aangevoerde privéomstandigheden en de problemen die appellant had met de diergezondheid van zijn dieren bij zijn beoordeling heeft betrokken, terwijl geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder ter zake belangrijke stukken heeft achtergehouden.

4.6

De hoogte van de randvoorwaardenkorting bedraagt in de regel 20% wanneer een begunstigde de geconstateerde niet-naleving met opzet heeft begaan, zo volgt uit artikel 40 van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden. Het College overweegt dat het op grond van dit artikel mogelijk is om de randvoorwaardenkorting te verlagen van 20 % tot niet minder dan 15%. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, biedt deze bepaling echter geen ruimte voor verlaging van de randvoorwaardenkorting om andere redenen dan de ernst, omvang en het (permanente) karakter van de niet-naleving. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de omvang van de veestapel, de problemen die appellant heeft met zijn gezondheid en de gezondheid van zijn dieren geen aanleiding vormen om de randvoorwaardenkorting te matigen (vergelijk de uitspraak van het College van 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:343).

4.7

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht een randvoorwaardenkorting van 20% toegepast op alle subsidies van het GLB die appellant voor het jaar 2018 heeft aangevraagd.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. M. de Mol, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.

w.g. A. Venekamp de griffier is verhinderd te ondertekenen


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature