< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beroep ongegrond. Verweerder heeft het beroep van appellante op de knelgevallenregeling terecht niet gehonoreerd. Niet is gebleken van een zodanige wijzing in de gezondheid in 2014, zoals later gesteld. Dat er een verband is tussen de begin 2015 in gang gezette omschakeling in de bedrijfsvoering naar het opfokken voor derden - met alle gestelde gevolgen van dien, zoals de lage aantallen vee op 2 juli 2015 - en een wijziging in de gezondheid van appellante is niet gebleken. Resumerend stelt het College vast dat het door appellante gestelde causale verband tussen de gezondheidsproblemen van appellante en het (lager vastgestelde) aantal fosfaatrechten op de peildatum 2 juli 2015 ontbreekt. Verweerder heeft dan ook terecht het beroep op de knelgevallenregeling afgewezen.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van de Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 18 januari 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellante ontvangen.

Bij besluit van 5 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. Voor appellante waren aanwezig [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2. Appellante exploiteert een jongvee-opfokbedrijf in de vorm van een maatschap. Zij heeft twee maten: [naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 2] . Op 1 januari 2015, de door appellante bij de melding opgegeven datum van aanvang van de bijzondere omstandigheid, waren 107 stuks jongvee op het bedrijf aanwezig. Op 2 juli 2015 waren 75 stuks jongvee op het bedrijf aanwezig.

Besluiten van verweerder

3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 januari 2018 heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.114 kg. Daarbij is hij uitgegaan van de op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante gehouden dieren.

Beroepsgronden

4.1

Appellante betoogt dat artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn geen toereikende grondslag vormt voor het fosfaatrechtenstelsel. Dat stelsel is ook niet nodig om aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te voldoen. Verder is zij van mening dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

4.2

Verweerder heeft ten onrechte het beroep op de knelgevallenregeling afgewezen. Appellante is begin 2015 omgeschakeld van het opfokken van jongvee voor eigen rekening naar het opfokken voor derden. Deze omschakeling en de daarmee gepaard gaande afvoer van eigen jongvee was enkel en alleen ingegeven door de op dat moment verslechterde gezondheidssituatie van [naam 1] . Bij deze omschakeling is op volstrekt toevallige wijze op 2 juli 2015 een dieptepunt in de veebezetting bereikt. Was appellante niet gaan omschakelen, dan was haar veebezetting normaal geweest. Appellante heeft overgelegd een overeenkomst jongvee-opfok tegen dagvergoeding met [naam 3] VOF ( [naam 3] ) van 1 januari 2015. In de aanvullende gronden van 2 september 2020 heeft appellante nog aangegeven dat op enig moment met name de fysieke en stressbelasting dermate hoog was dat in de loop van 2014 is besloten tot de omschakeling. In verband daarmee (en met de afspraken met [naam 3] ) is besloten om het eigen vee in de eerste helft van 2015 versneld af te voeren, zodat er ruimte ontstond voor het aan te voeren vee van [naam 3] . Bij die gronden zijn ter ondersteuning van het standpunt van appellante een recente verklaring van de huisarts en een brief van de internist van 31 augustus 2020 gevoegd.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt dat de algemene beroepsgronden die betrekking hebben op het stelsel van fosfaatrechten op regelingsniveau niet slagen. Hij verwijst daarvoor mede naar de vaste rechtspraak van het College.

5.2

Verweerder stelt dat niet wordt voldaan aan alle voorwaarden van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Weliswaar is het aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015 meer dan 5 % lager dan op de in de melding genoemde datum 1 januari 2015, maar een causaal verband ontbreekt tussen de bijzondere omstandigheid, de ziekte van [naam 1] , en het lager aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015. Appellante heeft reeds eerder, in 2010, haar bedrijfsvoering aangepast wegens gezondheidsproblemen. Zij is toen als gevolg van met name de ziekte van Addison gestopt met melken. De knieproblemen van appellante zijn hierna aangevangen. Gelet hierop is verweerder van mening dat de gezondheidsproblemen reeds ver voor de opgegeven alternatieve peildatum een rol speelden en onderdeel waren van de reguliere bedrijfsvoering. Verder merkt verweerder op dat de reguliere bedrijfsvoering van appellante is gericht op het houden en fokken van rundvee. Een fluctuatie in dieraantallen is daarbij een terugkerend patroon en hoort bij de opfok van jongvee. Appellante heeft niet aangetoond dat er tussen 1 januari 2015 en 2 juli 2015 sprake was van een bijzondere omstandigheid anders dan andere jaren. Dat op 1 januari 2015 een opfokovereenkomst is gesloten en appellante zich heeft aangemeld voor een veterinaire eenheid maakt dat niet anders.

Beoordeling

6.1

Het betoog dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van

fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het College wijst in dit verband naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) en 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:615).

6.2

Het geschil spitst zich verder toe op de vraag of verweerder het beroep van

appellante op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw terecht niet heeft gehonoreerd.

6.3

Het College concludeert op grond van de overgelegde medische informatie dat [naam 1] al langere tijd kampt met de ziekte van Addison, een stressgevoelige aandoening van de bijnieren, en ook op relatief jonge leeftijd al last had van artrose in de knieën. Appellante heeft reeds in 2010 haar bedrijfsvoering hierop aangepast. Zij is toen gestopt met melken en is zich gaan toeleggen op het opfokken van jongvee voor eigen rekening. De reguliere bedrijfsvoering van appellante vormde sindsdien dus het exploiteren van een jongvee-opfokbedrijf met inachtneming van de beperkingen die de gezondheid van [naam 1] aan deze bedrijfsvoering oplegden. Dat, zoals appellante aanvankelijk stelde, begin 2015 een verslechtering in de gezondheidstoestand van [naam 1] is opgetreden, is niet gebleken. De medische stukken bieden hiervoor geen aanwijzingen. Daaruit komt dienaangaande niet meer of anders naar voren dan dat de huisarts [naam 1] al in 2010 en vaker in overweging heeft gegeven om bedrijfsmatig stappen te ondernemen om de fysieke belasting en de stressbelasting te verminderen teneinde de knieën zo lang mogelijk te sparen en de ziekte van Addison zo weinig mogelijk te laten ontsporen. Ook is niet gebleken van een zodanige wijzing in de gezondheid in 2014, zoals later gesteld. Dat er een verband is tussen de begin 2015 in gang gezette omschakeling in de bedrijfsvoering naar het opfokken voor derden - met alle gestelde gevolgen van dien, zoals de lage aantallen vee op 2 juli 2015 - en een wijziging in de gezondheid van [naam 1] is derhalve niet gebleken. Resumerend stelt het College vast dat het door appellante gestelde causale verband tussen de gezondheidsproblemen van [naam 1] en het (lager vastgestelde) aantal fosfaatrechten op de peildatum 2 juli 2015 ontbreekt. Verweerder heeft dan ook terecht het beroep op de knelgevallenregeling afgewezen. De beroepsgrond faalt.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature