< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Meststoffenwet artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk (definitie melkvee) en artikel 23, de rde lid.

Verweerder heeft stierkalf jonger dan één jaar terecht niet aangemerkt als melkvee en heeft daar terecht geen fosfaatrecht voor toegekend.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/774

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ing . P.J. Houtsma)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. J. Cortet en mr. M. Leegsma)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 95 kg.

Bij besluit van 29 oktober 2018 (primair besluit) heeft verweerder het besluit van 10 januari 2018 herzien en het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 85 kg.

Bij besluit van 27 juni 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en een dwangsom toegekend wegens niet tijdig beslissen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2020. De gemachtigden van partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het ter zitting door appellant ingediende verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Relevante bepalingen

2.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

2.2.

Het begrip melkvee is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw:

kk. melkvee:

1° melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

2° jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar en

3° jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren;

2.3

Bij voormelde wettelijke bepaling is aansluiting gezocht bij de bestaande diercategorieën in de Msw, zoals opgenomen in tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Msw (bijlage D):

- melk- en kalfkoeien (..), met categorienummer 100;

- jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar, met categorienummer 101;

- jongvee van ouder dan 1 jaar (..), met categorienummer 102;

Feiten

3. Appellant is een eenmanszaak en had op 2 juli 2015 als bedrijfsactiviteit het opfokken van jongvee.

Besluiten van verweerder

4. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 85 kg. Hij is er daarbij van uitgegaan dat op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellant aanwezig waren: 0 melkkoeien en 5 stuks jongvee, waarvan 2 jonger dan één jaar (diercategorie 101) en 3 ouder dan één jaar (diercategorie 102).

Beroepsgronden

5.1.

Appellant stelt dat verweerder in het bestreden besluit van één stuk jongvee jonger dan één jaar (diercategorie 101) te weinig is uitgegaan. Het gaat om een mannelijk rund met diernummer NL […] dat op 31 oktober 2015 is verkocht aan een melkveehouder te Delft. Het dier is daar naar alle waarschijnlijkheid als dekstier ingezet. Voor dit rund moet fosfaatrecht worden toegekend.

5.2.

Appellant stelt dat verweerder ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend voor de door hem gemaakte kosten in bezwaar. Het primaire besluit is in het bestreden besluit van een nieuwe motivering voorzien.

Standpunt van verweerder

6.1.

Verweerder stelt dat hij terecht geen fosfaatrecht heeft toegekend voor het rund met levensnummer NL […] omdat het betreffende stierkalf niet als melkvee aangemerkt kan worden. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder kk, valt mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar alleen in diercategorie 101 als het wordt gehouden voor de melkveehouderij. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake was. Het stierkalf is geboren op 7 mei 2015 en is op 31 oktober 2015 afgevoerd naar Firma [naam 2] , een bedrijf met vlees- en melkvee. Het stierkalf is op 11 mei 2016 geslacht.

6.2.

Verweerder stelt dat hij het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in bezwaar terecht heeft afgewezen omdat het primaire besluit niet is herroepen.

Beoordeling

7.1.

Tussen partijen is in geschil of het stierkalf moet worden aangemerkt als melkvee in de zin van de Msw, te weten jongvee jonger dan één jaar voor de melkveehouderij (diercategorie 101), en moet worden betrokken bij de berekening van het fosfaatrecht van appellant. Verweerder stelt van niet, appellant stelt van wel.

7.2.

De reikwijdte van het stelsel van fosfaatrechten is melkvee. Het begrip melkvee is, voor zover hier van belang, in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, onder 2, van de Msw, gedefinieerd als: jongvee jonger dan één jaar voor de melkveehouderij. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:244, kan uit voormelde definitie in de Msw niet worden afgeleid dat jongvee jonger dan een jaar dat is bestemd voor de fokkerij, valt onder het begrip melkvee. De fokkerij wordt in dit onderdeel van de definitie, dat gaat over jongvee jonger dan een jaar, niet genoemd. Het College is daarom van oordeel dat in dit geding, anders dan voor zover partijen daarvan uitgaan, niet van belang is of het stierkalf al dan niet werd gehouden als fokstier. Wat partijen daarover hebben aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.

7.3.

Appellant had naar eigen zeggen ter zitting op 2 juli 2015 als bedrijfsactiviteit het opfokken van jongvee, zowel voor de vleesveehouderij als voor de melkveehouderij. Het College volgt appellant vanwege deze twee verschillende bestemmingen van zijn jongvee niet in het ter zitting aangevoerde standpunt dat als met betrekking tot op zijn bedrijf aanwezig jongvee jonger dan één jaar niet duidelijk is dat het om vleesvee gaat, ervan uit moet worden gegaan dat het melkvee is. Voor dit standpunt bieden de hiervoor onder 7.2 vermelde wettelijke bepaling en uitspraak geen steun. Dat zou mogelijk anders zijn als appellant een melkveehouderij was geweest waar jongvee wordt opgefokt met het doel melk- en kalfkoeien te vervangen. Daarbij worden ook mannelijke runderen geboren die verder als vleesvee worden opgefokt. Daarvan is in dit geding geen sprake, zodat die situatie hier niet beoordeeld hoeft te worden. Verweerder heeft verder onweersproken gesteld dat appellant het betreffende stierkalf heeft verkocht aan een gemengd bedrijf dat zowel melkvee als vleesvee houdt, zodat ook hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant het stierkalf hield als jongvee voor de melkveehouderij. Verweerder heeft ook onweersproken gesteld dat appellant in eerdere jaren zijn stierkalven verkocht aan de vleesveehouderij. Bij deze stand van zaken is het aan appellant om door middel van bewijs aannemelijk te maken dat, zoals hij stelt, hij het stierkalf hield voor de melkveehouderij. Appellant heeft dat bewijs niet geleverd. Het College is van oordeel dat verweerder er bij het bestreden besluit terecht vanuit is gegaan dat het in geding zijnde stierkalf niet valt in de categorie jongvee jonger dan één jaar voor de melkveehouderij (diercategorie 101). De onder 5.1 vermelde beroepsgrond slaagt niet.

7.4.

De onder 5.2 vermelde beroepsgrond slaagt evenmin. Voor vergoeding van de door appellant gemaakte kosten in bezwaar bestaat geen wettelijke grondslag, nu niet is voldaan aan de daarvoor in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde voorwaarde dat het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

8.1.

Met betrekking tot de redelijke termijn van artikel 6 EVRM en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding daarvan overweegt het College als volgt.

8.1.1.

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor immateriële schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

8.1.2.

De termijn van bezwaar en beroep is begonnen op de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen, 6 december 2018, en is geëindigd op de datum waarop deze uitspraak is gedaan, 16 februari 2021. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) drie maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellant heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan verweerder als aan het College toe te rekenen.

8.1.3.

Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van een maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant, een periode van twee maanden, wordt toegerekend aan de beroepsfase.

8.1.4.

Het College zal op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 166,67 (1/3 x € 500,-) aan appellant en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 333,33 (2/3 x € 500,-) aan appellant.

Slotsom

7.1

Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

7.2.

Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat geen aanleiding.

7.3.

Het College zal het verzoek om immateriële schadevergoeding toewijzen.

7.4.

Het College zal verweerder en de Staat, ieder voor de helft, veroordelen in de proceskosten inzake het verzoek om schadevergoeding. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 267,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt met een waarde van € 534,- voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een immateriële schadevergoeding van € 333,33;

veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een immateriële schadevergoeding van € 166,67;

veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 133,50;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 133,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature