< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Fosfaatrechten. Schadevergoeding. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige herzieningsbesluit.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1911

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: ing . P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuiper).

Procesverloop

Op 18 juli 2019 heeft verzoekster verweerder verzocht de door haar geleden schade te vergoeden.

Op 29 oktober 2019 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Op 5 december 2019 heeft verzoekster bij het College een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

1.2

Artikel 8:90, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek schriftelijk wordt ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.

1.3

Artikel 8:90, tweede lid, van de Awb bepaalt dat ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade vraagt, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

2. Bij besluit van 31 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het fosfaatrecht van verzoekster vastgesteld op 517 kg. Op 5 maart 2018 heeft verzoekster bij verweerder melding gedaan van de overdracht van 222,22 kg (netto 200 kg) fosfaatrecht. Op 13 september 2018 heeft verweerder een herzieningsbesluit genomen en het fosfaatrecht van verzoekster verlaagd naar 291 kg. Op 28 september 2018 heeft verweerder de overdracht van 222,22 kg fosfaatrecht bevestigd. Bij besluit van 28 juni 2019 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht vastgesteld op 498 kg.

3. Verzoekster stelt dat zij als gevolg van het herzieningsbesluit haar bedrijfsvoering heeft moeten aanpassen, waardoor zij in 2018 en 2019 schade heeft geleden. In 2018 heeft verzoekster geanticipeerd op het lagere fosfaatrecht door zoogkoeien te verkopen vóór het afkalven. Hierdoor heeft verzoekster het resultaat van het jongvee gemist.

Door deze aanpassing van haar bedrijfsvoering heeft verzoekster de mestproductie in 2018 weten te beperken tot 254 kg fosfaat. Na de beslissing op bezwaar restte verzoekster, na verkoop van 200 kg fosfaatrecht, 298 kg fosfaat. Dit betekent dat 44 kg fosfaatrecht onbenut is gebleven. De schade voor 2018 becijfert zij op 44 x € 65,- (de leaseprijs per kg) = € 2.860,-.

In 2019 restte verzoekster, na de beslissing op bezwaar en na verkoop van 200 kg fosfaat, 275,78 kg fosfaat. Op 11 maart 2019 heeft zij zeven stuks jongvee (ouder dan een jaar) verkocht, waardoor zij de mestproductie heeft weten te beperken tot 216 kg fosfaat. Dat betekent dat er 59,78 kg fosfaatrecht onbenut is gebleven. De schade voor 2019 becijfert zij op 59,78 x € 36,- (de leaseprijs) = € 2.152,-.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen recht heeft op schadevergoeding, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij als gevolg van het onrechtmatige besluit haar bedrijfsvoering heeft aangepast. Uit het I&R-systeem blijkt dat de afvoer van zoogkoeien in 2018 heeft plaatsgevonden vóór het herzieningsbesluit, zodat geen sprake kan zijn van een causaal verband. Bovendien heeft verzoekster niet inzichtelijk gemaakt hoeveel schade zij heeft geleden door het afvoeren van deze dieren. Zij berekent de schade aan de hand van de leaseprijs, maar er hebben helemaal geen leasetransacties plaatsgevonden. Over de afvoer van zeven stuks jongvee in maart 2019 merkt verweerder op dat niet is gebleken dat deze afvoer in causaal verband staat met het herzieningsbesluit. Op dat moment liep de bezwaarprocedure tegen het herzieningsbesluit nog. Verzoekster had het gehele jaar 2019 de tijd om het aantal dieren in overeenstemming te brengen met de hoeveelheid beschikbaar fosfaatrecht. Zij had daar na de beslissing op bezwaar van 28 juni 2019 dus nog een half jaar de tijd voor.

5. Het College oordeelt als volgt.

5.1

Niet in geschil is dat het herzieningsbesluit van 13 september 2018 onrechtmatig is. Verweerder erkent ook dat hij in beginsel aansprakelijk is voor de daardoor door verzoekster geleden schade.

5.2

De stelplicht en bewijslast van de schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van verweerder en de schade liggen bij verzoekster. Zij dient aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming. Alleen schade die in zodanig verband staat met de onrechtmatige gedraging dat de schade als gevolg daarvan aan verweerder kan worden toegerekend, komt voor vergoeding in aanmerking. Het causale verband als bedoeld in artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.

5.3

Het College is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het herzieningsbesluit. Over de verkoop van zoogkoeien in 2018 heeft verweerder terecht opgemerkt dat deze heeft plaatsgevonden vóór het herzieningsbesluit, zodat geen sprake is van een causaal verband tussen dat besluit en de schade die verzoekster stelt te hebben geleden door deze afvoer. Over de verkoop van het jongvee in maart 2019 overweegt het College als volgt. Nog afgezien van het gegeven dat verweerder ten tijde van de verlaging van het fosfaatrecht van mening was dat er voor het betrokken jongvee geen fosfaatrecht nodig was en er dus ook geen aanleiding was om jongvee af te voeren, heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden. Zij stelt slechts dat er in 2019 59,78 kg fosfaatrecht onbenut is gebleven, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt welke opbrengsten zij als gevolg van de verkoop van het jongvee heeft gemist. De door verzoekster voorgestane berekening van de hoogte van de door haar gestelde schade op grond van de leaseprijs van fosfaatrechten is een hypothetische berekening. Verzoekster heeft tijdens de zitting namelijk gesteld dat zij niet de intentie had om het onbenutte fosfaatrecht te verhuren.

5.4

Het College zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van

mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature