< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

GLB. Herziening van toewijzing en uitbetaling betalingsrechten. Appellante heeft voor wat betreft perceel 13 terecht gewezen op de schaduwwerking van de aanwezige afrastering in de detail-winterfoto. Voor het bepalen van de perceelgrens moet worden aangesloten bij de onderkant van de paaltjes. Nu uit het beroep tegen de toewijzing van betalingsrechten volgt dat het aantal geconstateerde hectares onjuist is, betekent dit dat het bedrag aan uitbetaling opnieuw moet worden berekend. De beroepen tegen de toewijzing en uitbetaling voor het jaar 2015 zijn beide gegrond. Het beroep tegen de uitbetaling voor het jaar 2016 is eveneens gegrond. Appellante heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de dam van perceel 54 een beteelbare doorgangsdam is die ten onrechte niet als landbouwareaal is aangemerkt. Ten aanzien van perceel 56 heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de door appellante ingetekende perceelgrens onjuist is.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/1268 en 19/1269

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2020 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

19/1268

Bij besluit van 21 april 2016 heeft verweerder aan appellante 101,72 betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit op bezwaar van 7 mei 2018 – waarbij verweerder het eerdere besluit op bezwaar van 2 mei 2017 gedeeltelijk heeft herzien – heeft verweerder aan appellante 109,98 betalingsrechten toegewezen. Het beroep tegen deze besluiten is door het College behandeld onder procedurenummer 17/195.

Bij besluit van 17 augustus 2016 heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling) voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit op bezwaar van 26 november 2018 – waarbij verweerder het eerdere besluit op bezwaar van 19 mei 2017 gedeeltelijk heeft herzien – heeft verweerder het totaalbedrag van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 vastgesteld op € 55.623,43. Het beroep tegen deze besluiten is door het College behandeld onder procedurenummer 17/197.

In de uitspraak van 14 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:195) heeft het College de voornoemde beroepen (gedeeltelijk) gegrond verklaard en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen.

Bij besluit van 16 juli 2019 (het bestreden besluit 1a) heeft verweerder opnieuw besloten op de bezwaren tegen de toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015. Verweerder heeft het bezwaar ten aanzien van de percelen 13, 47, 56, 104 en 115 ongegrond verklaard en het bezwaar ten aanzien van de uitbetaling gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het totaalbedrag van de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 55.623,43.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 februari 2020 (het bestreden besluit 1b) heeft verweerder het bestreden besluit 1a voor wat betreft de toewijzing van de betalingsrechten herzien, het bezwaar ten aanzien van de percelen 13, 47, 56, 104 en 115 gedeeltelijk gegrond verklaard en appellante 110,01 betalingsrechten toegewezen.

Bij besluit van 21 februari 2020 (het bestreden besluit 1c) heeft verweerder het bestreden besluit 1a voor wat betreft de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 herzien en het totaalbedrag van de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 55.635,29.

19/1269

Bij besluit van 29 maart 2017 heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling) voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling en de aanvraag om de extra betaling jonge landbouwers voor 2016 uit de Nationale Reserve afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 12 juni 2018 – waarbij verweerder het eerdere besluit op bezwaar van 22 januari 2018 gedeeltelijk heeft herzien – heeft verweerder de hoogte van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 vastgesteld op € 85.773,34. Het beroep tegen deze besluiten is door het College behandeld onder procedurenummer 18/319.

In de uitspraak van 14 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:195) heeft het College het voornoemde beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 17 juli 2019 (het bestreden besluit 2a) heeft verweerder opnieuw besloten op de bezwaren ten aanzien van de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2016 en het bezwaar ten aanzien van de percelen 1, 2, 5, 15, 21, 36, 37, 40, 41, 48, 50, 54, 56, 64, 70, 72, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 82 en 106 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 25 februari 2020 (het bestreden besluit 2b) heeft verweerder het bestreden besluit 2a herzien, het bezwaar ten aanzien van de percelen 1, 2, 5, 15, 21, 26 (voorheen aangeduid als perceel 36), 37, 40, 41, 48, 50, 54, 56, 64, 70, 72, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 82 en 106 gedeeltelijk gegrond verklaard en het totaalbedrag van de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 85.802,46.

19/1268 en 19/1269

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft schriftelijk gereageerd naar aanleiding van de bestreden besluiten 1b, 1c en 2b.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van die betalingsrechten voor de jaren 2015 en 2016. Kort samengevat stelt appellante zich in de onderhavige beroepen op het standpunt dat verweerder de oppervlakte van een aantal percelen onjuist heeft vastgesteld waardoor aan appellante te weinig betalingsrechten zijn toegewezen en zij als gevolg daarvan rechtstreekse betalingen misloopt.

19/1268

Omvang van het geding

2.1

Nadat appellante beroep had ingesteld tegen het bestreden besluit 1a heeft verweerder met de bestreden besluiten 1b en 1c dat besluit vervangen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1a mede betrekking op de bestreden besluiten 1b en 1c. Appellante heeft niet gesteld en ook het College is niet gebleken dat zij enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 1a. Daarom zal het College het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 1a.

2.2

Ter zitting heeft appellante desgevraagd bevestigd dat in dit beroep enkel nog in geding is de inhoudelijke beoordeling door verweerder van de percelen 13 en 47. De beroepsgronden ten aanzien van de percelen 56, 104 en 115 heeft appellante ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

3. Bij de beoordeling zijn de volgende bepalingen van belang.

3.1.1

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) is, tenzij in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, het aantal toegewezen betalingsrechten per landbouwer in 2015 gelijk aan het aantal subsidiabele hectaren dat de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn steunaanvraag aangeeft voor 2015 en waarover hij beschikt op een door de lidstaat vastgestelde datum.

3.1.2

Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307 /2013). Onder ‘landbouwareaal’ wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307 /2013). Onder 'blijvend grasland' wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307 /2013).

4.1

Ten aanzien van perceel 13 heeft verweerder in het bestreden besluit 1b opgenomen dat uit de luchtfoto’s blijkt dat de feitelijke gewasgrens zich bevindt op de grens zoals die door verweerder is ingetekend. Ter zitting heeft verweerder toegelicht te hebben aangesloten bij de op het perceel aanwezige afrastering die is te zien op de detail-winterfoto uit 2015. Verweerder heeft de zuidelijke perceelgrens gelegd ter hoogte van de bovenkant van de paaltjes.

4.2

Het College overweegt dat de gemachtigde van appellante ter zitting terecht heeft gewezen op de schaduwwerking in de detail-winterfoto uit 2015. Deze is het duidelijkst te zien aan de hand van de schaduwen van de tevens op deze foto zichtbare bomen. Gelet op deze schaduwwerking en op de toelichting van verweerder ter zitting dat hij heeft aangesloten bij de op het perceel aanwezige, op deze foto zichtbare afrastering, omdat anders een gedeelte van een perceel dat niet van appellante is wordt meegenomen, is het College met appellante van oordeel dat bij perceel 13 voor het bepalen van de zuidelijke grens van het landbouwareaal dient te worden aangesloten bij de onderkant van de paaltjes. Dit is immers het punt waar de paaltjes in de grond staan. Het voorgaande betekent dat verweerder de grens te noordelijk heeft gelegd, zodat het beroep van appellante in zoverre slaagt.

5.1

Ten aanzien van perceel 47 heeft verweerder in het bestreden besluit 1b, voor zover hier van belang, opgenomen dat aan de noord-, zuidoost- en westzijde van perceel 47 bomenrijen staan waarvan appellante een gedeelte heeft ingetekend. Verweerder merkt bomenrijen die op de grens van het perceel staan echter niet aan als landbouwgrond. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de grens is ingetekend op 50 cm van de stammen van de bomen.

5.2

Appellante heeft ook ten aanzien van dit perceel gewezen op de schaduwwerking op de luchtfoto’s. Gelet op deze schaduwwerking heeft verweerder de regelingspercelen te krap ingetekend. Het lijkt volgens appellante erop dat verweerder de grens aan de buitenkant van de kruin van de bomen heeft gelegd. Daardoor heeft verweerder appellante ten onrechte gekort.

5.3

Uit de door verweerder gehanteerde ‘Handleiding percelen, landbouwgrond of niet volgens het GLB’ (de Handleiding) volgt dat bomenrijen die grenzen aan een perceel of op de buitengrens van een perceel staan, niet meetellen bij de oppervlakte subsidiabele landbouwgrond. Bij het tekenen van de perceelgrens dient de aanvrager 0,5 meter vanaf het midden van de boomstam aan te houden, waardoor de bomenrij een meter breed wordt.

5.4

Uit de luchtfoto’s blijkt dat verweerder aan de westzijde van het perceel de grens niet midden door de kruinen van de bomen heeft gelegd, maar uit het centrum. Indien de grens door het midden van de kruin wordt ingetekend, zoals door appellante is gesteld, wordt voorbijgegaan aan de 0,5 meter van de stam zoals opgenomen in de Handleiding. Het College volgt niet het betoog van appellante dat verweerder door de schaduwwerking op de foto’s de grens te oostelijk heeft gelegd. Op de detailfoto’s van het uitstekende gedeelte aan de westzijde van perceel 47 uit de winter van 2015 is te zien dat verweerder de grens aan de oostzijde naast de boomstammen heeft ingetekend, waar appellante de perceelgrens aan de westzijde van de stammen heeft gelegd. Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht de perceelgrens oostelijk van de stammen ingetekend. Niet gebleken is dat verweerder de grens aan de westzijde te ver van de stam af heeft gelegd.

5.5

Ten aanzien van de meest zuidelijke grens van perceel 47 overweegt het College dat verweerder met de zomerfoto en de winterfoto’s uit 2015, in onderlinge samenhang bezien, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de perceelgrens 0,5 meter van de stammen van de bomen heeft ingetekend. Het College volgt ten aanzien van deze perceelgrens niet het betoog van appellante dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de schaduwwerking van de bomen.

5.6

Ten slotte is het College met verweerder van oordeel dat uit de detail-winterfoto van 2015 volgt dat appellante de zuidelijke grens van het noordoostelijke deel van perceel 47 heeft ingetekend op de stammen van de bomen. Verweerder heeft terecht het perceel kleiner ingetekend. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden ten aanzien van perceel 47 niet slagen.

6.1

Het College komt tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit 1b gegrond is, voor zover het ziet op de beoordeling van perceel 13. Het bestreden besluit 1b komt in zoverre in aanmerking voor vernietiging. Het College zal verweerder opdragen ten aanzien van perceel 13 een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6.2

Het College constateert dat appellante geen afzonderlijke beroepsgronden tegen het bestreden besluit 1c heeft ingediend, anders dan dat appellante zich op het standpunt stelt dat het bedrag van de uitbetaling van de betalingsrechten voor het jaar 2015 onjuist is berekend omdat verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen 13 en 47 niet goed heeft vastgesteld. Nu uit het beroep tegen het bestreden besluit 1b volgt dat het aantal geconstateerde hectares onjuist is, betekent dit dat verweerder het bedrag van de uitbetaling opnieuw moet berekenen. In zoverre is het beroep tegen het bestreden besluit 1c eveneens gegrond. Het College zal verweerder daarom opdragen de uitbetaling van de betalingsrechten voor het jaar 2015 opnieuw te berekenen.

19/1269

Omvang van het geding

7.1

Nadat appellante beroep had ingesteld tegen bestreden besluit 2a heeft verweerder met het bestreden besluit 2b dat besluit vervangen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2a mede betrekking op het bestreden besluit 2b. Appellante heeft niet gesteld en ook het College is niet gebleken dat zij enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 1a. Daarom zal het College het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 1a.

7.2

Ter zitting heeft appellante desgevraagd bevestigd dat in dit beroep enkel nog in geding is de inhoudelijke beoordeling door verweerder van de percelen 1, 2, 21, 54 en 56. De beroepsgronden ten aanzien van de overige percelen heeft appellante ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

8. Bij de beoordeling zijn de onder 3.1.2 vermelde bepalingen van belang.

9.1

Ten aanzien van de percelen 1, 2 en 21 is verweerder in het bestreden besluit 2b niet (geheel) tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Verweerder heeft bij het bepalen van de perceelgrens de feitelijke gewasgrens gevolgd. Er is volgens verweerder een duidelijk verschil in kleur en structuur zichtbaar tussen het perceel tot de door verweerder geconstateerde grens en de door appellante ingetekende grens. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat hij ten aanzien van deze percelen de perceelgrens heeft gecorrigeerd ten opzichte van de aanvraag door de feitelijke gewasgrens, en bij perceel 1 ook de bomenrijen langs de oostelijke en westelijke grens, te volgen.

9.2

De luchtfoto’s en de toelichting van verweerder ter zitting in samenhang bezien is het College van oordeel dat, gelet op de verschillen in kleur en structuur aan weerszijden van de door verweerder ingetekende perceelgrenzen, verweerder de lijnen op de feitelijke gewasgrens heeft gelegd. Met de detailfoto’s heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat de gewasgrens is gevolgd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd – dat verweerder te weinig rekening heeft gehouden met de schaduwwerking van de bomen en de positie van waaruit de foto’s zijn genomen – ziet het College gezien het voorgaande geen aanleiding om de door verweerder geconstateerde grenzen voor onjuist te houden.

10.1

Het College stelt voorop dat het ten aanzien van perceel 54 in beroep alleen nog gaat om het gedeelte aan de noordzijde van het perceel. Appellante heeft in beroep erkend dat aan de noordwestelijke zijde sprake is van verruiging en dat verweerder daarom niet onrechte een deel van het perceel heeft afgekeurd. Volgens verweerder gaat het aan de noordzijde van het perceel om een niet subsidiabel pad. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat op de luchtfoto’s geen gewassen te zien zijn en juist wel sporen van voertuigen.

10.2

Het College overweegt dat ter zitting is besproken dat het desbetreffende deel van het perceel een doorgangsdam betreft. Het naastgelegen perceel aan de noordzijde is ook van appellante en zij gebruikt de dam om perceel 54 te bereiken. Dat verklaart volgens appellante ook het kleurverschil en de sporen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de doorgangsdam niet subsidiabel is omdat deze niet beteelbaar zou zijn. Appellante heeft daar tegenover gesteld dat op de dam dezelfde grond aanwezig is als op de rest van het perceel, hetgeen door verweerder niet is betwist.

10.3

In de Handleiding is opgenomen dat indien een doorgangsdam onverhard en beteelbaar is, deze kan worden meegeteld als landbouwgrond. Gelet op de Handleiding en de door verweerder niet betwiste stellingname van appellante dat de dam dezelfde grond bevat als de rest van het perceel, is naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk geworden dat het om een beteelbare doorgangsdam gaat. Verweerder heeft de dam daarom ten onrechte niet als landbouwareaal aangemerkt. Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ten aanzien van perceel 54 slaagt.

11.1

Ten aanzien van perceel 56 heeft appellante ter zitting bevestigd dat zij zich niet kan vinden in de vaststelling door verweerder van de westgrens in het meest zuidelijke deel van het perceel. Appellante verzet zich niet langer tegen het door verweerder afgekeurde deel aan de westzijde van het perceel omdat daar sprake is van verruiging. Met betrekking tot de westgrens in het meest zuidelijke deel van het perceel heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante de perceelgrens niet langs de feitelijke gewasgrens heeft ingetekend, maar de grens te ver westwaarts heeft gelegd. Verweerder heeft de grens getrokken op de feitelijke gewasgrens. De perceelgrens is niet bepaald aan de hand van de nabijgelegen bomenrij.

11.2

Appellante heeft naar voren gebracht dat natuurlijk grasland ruigere vegetatie kent en dat verweerder ten onrechte stelt dat zij de grens te ver naar het westen heeft ingetekend. Verweerder had volgens appellante ook rekening moeten houden met de schaduwwerking van de bomen.

11.3

Het College overweegt dat noch uit de winterfoto noch de zomerfoto van het jaar 2016 duidelijk valt op te maken dat de feitelijke gewasgrens niet ligt waar appellante deze heeft ingetekend. Met appellante is het College van oordeel dat op het beeldmateriaal geen verschil van betekenis is te zien in vegetatie aan weerszijden van de door verweerder geconstateerde grens. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de door appellante ingetekende perceelgrens onjuist is en dat het door verweerder afgekeurde gedeelte van het perceel niet kan worden aangemerkt als landbouwareaal. Dat betekent dat het beroep ook ten aanzien van perceel 56 gegrond is.

12. Het College komt tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit 2b gegrond is, voor zover het ziet op de inhoudelijke beoordeling van de percelen 54 en 56. Het bestreden besluit 2b komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het College zal verweerder opdragen ten aanzien de percelen 54 en 56 een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van beide beroepen

13. Nu de beroepen tegen de bestreden besluiten (deels) gegrond zijn, ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

19/1268

verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 1a niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep gericht tegen de bestreden besluiten 1b, voor zover het betrekking heeft op perceel 13, en 1c gegrond;

vernietigt het bestreden besluit 1b, voor zover het betrekking heeft op perceel 13, en het bestreden besluit 1c;

draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

19/1269

verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2a niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2b gegrond, voor zover het betrekking heeft op de percelen 54 en 56;

vernietigt het bestreden besluit 2b voor zover het betrekking heeft op de percelen 54 en 56;

draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

19/1268 en 19/1269

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 690,- (tweemaal € 345,-) aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2020.

w.g. H.L. van der Beek w.g. J.M.T. Plouvier


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature