< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

GLB. Intrekking betalingsrechten. Landbouwareaal. Ruigte. Afwezigheid van subsidiabele gewassen.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 19/756

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2020 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder 19,63 van de aan appellante op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) toegewezen betalingsrechten ingetrokken.

Bij besluit van eveneens 20 december 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de basisbetaling, de vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2015 vanwege gewijzigde gegevens opnieuw berekend en het bedrag bepaald op € 4.440,94.

Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit 1 gedeeltelijk herroepen en 10,94 van de aan appellante toegewezen betalingsrechten ingetrokken.

Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit 2 herroepen en de basisbetaling, de vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2015 bepaald op € 12.776,70.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2020. Appellante is vertegenwoordigd door [naam 2] , bijgestaan door J.A. Rietveld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante heeft op 15 juni 2015 een Gecombineerde opgave 2015 ingediend. In die opgave heeft zij voor 51,74 ha – verspreid over 29 percelen – aanspraak gemaakt op betalingsrechten. Ten aanzien van de percelen 5 en 6 heeft appellante opgegeven dat het om blijvend grasland gaat. In 2016 heeft verweerder bij meerdere besluiten aan appellante betalingsrechten toegekend en uitbetaald. Verweerder heeft bij de beslissing toekenning betalingsrechten van 10 maart 2016 de volledige door appellante opgegeven oppervlakte van de percelen 5 en 6 (respectievelijk 2,21 ha en 3,58 ha) geconstateerd.

2.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit 1, voor zover hier van belang, op het standpunt gesteld dat naar aanleiding van een controle door middel van luchtfoto’s is gebleken dat een deel van 0,07 ha van perceel 5 en het gehele perceel 6 niet subsidiabel zijn. Appellante kan daarom voor de percelen 5 (gedeeltelijk) en 6 (geheel) geen aanspraak maken op betalingsrechten en de uitbetaling daarvan. Op grond hiervan heeft verweerder het aantal teveel toegewezen betalingsrechten (het College begrijpt: met ingang van 2015) ingetrokken.

2.2

In beroep is tussen partijen in geschil of verweerder terecht betalingsrechten heeft ingetrokken op de grond dat perceel 6 en een deel van perceel 5 niet subsidiabel zijn. Desgevraagd heeft appellante ter zitting bevestigd dat het ten aanzien van perceel 5 alleen nog gaat om de westelijke helft van de strook in het midden van de noordzijde van het perceel.

3. Bij de beoordeling zijn de volgende bepalingen van belang.

3.1

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) is, tenzij in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, het aantal toegewezen betalingsrechten per landbouwer in 2015 gelijk aan het aantal subsidiabele hectaren dat de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn steunaanvraag aangeeft voor 2015 en waarover hij beschikt op een door de lidstaat vastgestelde datum.

3.2

Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307 /2013). Onder ‘landbouwareaal’ wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307 /2013). Onder 'blijvend grasland' wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307 /2013).

3.3

Ingevolge artikel 2.6 van de Uitvoeringsregeling is de datum, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening 1307 /2013, 15 mei 2015.

3.4

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) wordt de steun niet betaald of geheel of gedeeltelijk ingetrokken en worden, naargelang het geval, de desbetreffende betalingsrechten als bedoeld in artikel 21 van Verordening 1307 /2013 niet toegewezen of ingetrokken wanneer een begunstigde niet blijkt te voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria, de normen of andere verplichtingen die verbonden zijn aan de voorwaarden voor de toekenning van de bijstand of steun waarin de sectorale landbouwwetgeving voorziet.

3.5

Ingevolge artikel 4.8 van de Uitvoeringsregeling besluit de minister tot het niet betalen, dan wel de gehele of gedeeltelijke intrekking van rechtstreekse betalingen en betalingsrechten overeenkomstig artikel 63, eerste lid, van Verordening 1306 /2013.

4. Ten aanzien van de strook in perceel 5 stelt verweerder dat deze strook dusdanig is verruigd dat geen sprake is van landbouwareaal in de zin van artikel 32, tweede lid, van Verordening 1307 /2013. Ten aanzien van perceel 6 blijkt volgens verweerder uit de luchtfoto van 11 september 2015 dat geen sprake is van blijvend grasland, bouwland of blijvende teelt en dat het perceel er hetzelfde uitziet als de percelen 3, 4, 41 en 42. Op deze percelen is evenmin sprake van blijvend grasland, hetgeen door appellante ook niet wordt betwist. Appellante heeft de percelen 3, 4, 41 en 42 in augustus 2015 omgezet naar natuur. Net als deze percelen is perceel 6 volgens verweerder niet het gehele jaar aan te merken als landbouwareaal (artikel 32, vierde lid, van Verordening 1307 /2013) en daarom niet subsidiabel.

5.1

Appellante meent dat verweerder de strook in perceel 5 ten onrechte niet heeft aangemerkt als landbouwareaal. De strook ligt wat hoger dan de rest van het perceel en is begroeid met andere grassen waardoor er een kleurverschil is ontstaan. De strook wordt – net als de rest van het perceel – gehooid en gemaaid. Schapen begrazen de strook. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat Staatsbosbeheer haar heeft verzocht 10% van percelen te ‘laten staan voor natuur’ en dat heeft appellante op perceel 5 gedaan met deze strook.

5.2

Het College overweegt dat uit de luchtfoto’s blijkt dat het deel van perceel 5 hier in geding een aaneengesloten strook betreft die er qua kleur en structuur duidelijk anders uitziet dan de rest van het perceel. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat de vegetatie er anders is dan op de rest van het perceel omdat de strook een gedempte sloot betreft. Uit het beeldmateriaal in samenhang met de toelichting van appellante dat zij deze strook heeft ‘laten staan voor natuur’ is voldoende aannemelijk geworden dat de strook is verruigd. Verweerder heeft de strook terecht niet als subsidiabel landbouwareaal aangemerkt. De stelling van appellante dat er wel schapen grazen op de strook, zodat het perceel landbouwkundig in gebruik is, doet daaraan niet af. Een perceel moet immers, zoals verweerder terecht stelt, ook kunnen worden aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal.

6.1

Appellante voert aan dat perceel 6 het gehele jaar 2015 in gebruik is geweest. Het perceel is gehooid en er hebben schapen geweid. Dat er geen kleurverschil is te zien tussen perceel 6 en de percelen 3, 4, 41 en 42 op de zomerfoto is te verklaren door het feit dat alle percelen waren gemaaid voor de werkzaamheden begonnen. Er waren op het moment van het maken van de luchtfoto nog geen werkzaamheden gedaan op alle genoemde percelen. Perceel 6 is in 2016 ook nog in gebruik geweest, aldus appellante.

6.2

Het College acht op basis van de luchtfoto’s uit 2015 aannemelijk dat op perceel 6 in dat jaar geen sprake is geweest van subsidiabele gewassen omdat de kleur en structuur van het perceel te veel afwijken van die van percelen met blijvend grasland. Met name op de zomerfoto uit 2015 is te zien dat het perceel bruin van kleur is. Het College kan verweerder volgen in het standpunt dat op het perceel zand ligt en dat er geen of in elk geval nauwelijks gras groeit. Het enkele feit dat appellante perceel 6 in augustus 2015 niet heeft afgemeld – terwijl zij de percelen 3, 4, 41, en 42 wel heeft afgemeld – kan niet tot de conclusie leiden dat het perceel dus nog steeds landbouwareaal was en het gehele jaar als zodanig is gebruikt, zoals door appellante is gesteld. De verklaring van [naam 3] van 22 augustus 2019, die (alleen) inhoudt dat dit bedrijf in 2015 op de percelen 5 en 6 gras heeft geperst, brengt het College evenmin tot een ander oordeel. De verklaring is daarvoor niet concreet en specifiek genoeg. Verweerder heeft het perceel terecht afgekeurd omdat geen sprake is van subsidiabel landbouwareaal.

7. Het voorgaande betekent dat appellante niet blijkt te voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria en dat verweerder gelet op artikel 63, eerste lid, van Verordening 1306 /2013 terecht de betalingsrechten voor een gedeelte van perceel 5 en voor het gehele perceel 6 heeft ingetrokken. Het College zal het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaren.

8. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten en vergroeningsbetaling herberekend. Het College constateert dat appellante geen specifieke beroepsgronden tegen het bestreden besluit 2 heeft gericht. Het College maakt hieruit op dat appellante enkel tegen het bestreden besluit 2 beroep heeft ingesteld om een bijstelling van de uitbetaling van de betalingsrechten na een geslaagd beroep tegen het bestreden besluit 1 veilig te stellen. Nu het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1 ongegrond is, betekent dit dat het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 eveneens ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020.

w.g. H.L. van der Beek w.g. J.M.T. Plouvier


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature